ECLI:NL:RBDHA:2025:18075
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd en voorlopige voorziening niet-ontvankelijk in zaak tijdelijke bescherming Oekraïense derdelander
Verzoeker, een Oekraïense derdelander met tijdelijke bescherming, maakte bezwaar tegen de brief van de minister van Asiel en Migratie waarin werd meegedeeld dat de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 zou eindigen. Verzoeker vorderde schorsing van de vertrekplicht gedurende de beroepsprocedure.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het beroep niet gericht is tegen een appellabel besluit, omdat de brief van de minister geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro is. Het eerdere terugkeerbesluit van 17 april 2024 is door verzoeker ingetrokken en staat in rechte vast. De beëindiging van de bevriezingsmaatregel vereist geen nieuw besluit.
Daarom is de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd om van het beroep kennis te nemen en verklaart hij het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van connexiteit. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan zonder zitting en in het openbaar bekendgemaakt.
Uitkomst: De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep en verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.