ECLI:NL:RBDHA:2025:18082
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake terugkeerbesluit voor derdelander uit Oekraïne
In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag op 30 september 2025 uitspraak gedaan in een verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoeker, een derdelander uit Oekraïne, had beroep ingesteld tegen een terugkeerbesluit dat hem door de minister van Asiel en Migratie was opgelegd. Dit besluit, gedateerd op 24 juli 2025, gaf verzoeker een vertrektermijn van vier weken. Verzoeker verzocht de voorzieningenrechter om hem toe te staan zijn beroep in Nederland af te wachten en zijn rechten op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming te behouden. De minister heeft geen verweerschrift ingediend, waardoor de rechtbank op basis van artikel 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak deed zonder zitting.
De voorzieningenrechter overwoog dat verzoeker spoedeisend belang had bij zijn verzoek, aangezien hij vanaf 4 september 2025 niet meer rechtmatig in Nederland verbleef en niet meer mocht werken. De rechtbank concludeerde dat het terugkeerbesluit van de minister niet in strijd was met het verbod op refoulement, omdat verzoeker onvoldoende had onderbouwd dat zijn terugkeer naar Algerije in strijd zou zijn met artikel 3 van het EVRM. Ook het beroep op artikel 8 van het EVRM werd afgewezen, omdat verzoeker zijn belangen niet voldoende had geconcretiseerd. Uiteindelijk oordeelde de voorzieningenrechter dat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond was en wees dit af.
De uitspraak is openbaar gemaakt en er staat geen hoger beroep of verzet open tegen deze beslissing.