Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak van 1 oktober 2024 waarin de minister werd opgedragen binnen acht weken te beslissen. Deze termijn is inmiddels ruim overschreden, waardoor het beroep ontvankelijk en gegrond is.
De rechtbank overweegt dat hoewel normaal gesproken een ingebrekestelling vereist is, dit in dit geval niet nodig is vanwege de uitdrukkelijke rechterlijke termijn die is verstreken. De minister heeft niet binnen de gestelde termijn een besluit genomen, waardoor de rechtbank een nadere beslistermijn van zes weken oplegt.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €250,- per dag dat de minister te laat is, met een maximum van €37.500,-. De minister is tevens veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser van €453,50, vanwege het inschakelen van professionele juridische hulp. De uitspraak is gedaan door rechter O. Veldman en griffier mr. D.C. van de Mortel op 29 augustus 2025.