Eiseres, woonachtig in Nederland en binnenlandse belastingplichtige, beschikte over Italiaanse bankrekeningen in de jaren 2017 tot en met 2020. Zij gaf in haar aangiften IB/PVV deze tegoeden aan en verzocht jaarlijks om aftrek elders belast ter voorkoming van dubbele belasting. De inspecteur kwalificeerde de opgegeven buitenlandse bronbelasting als aftrek wegens buitenlandse dividenden en wees verzoeken om ambtshalve vermindering af.
Eiseres stelde dat de Italiaanse 'Imposta Di Bollo E/c E Rendiconto' een belasting naar het vermogen is in de zin van het belastingverdrag tussen Nederland en Italië, en dat deze ten onrechte niet in de aanslagen was verwerkt. De rechtbank oordeelde dat deze belasting niet kwalificeert als vermogensbelasting, omdat deze wordt geheven per rekeningafschrift en niet naar het vermogen zelf. De 'Imposta Di Bollo Su Prodotti Finanziari' valt wel onder het verdrag, maar het heffingsrecht hierover komt toe aan Nederland, waardoor terugvordering bij Italië moet plaatsvinden.
Verder werd het beroep op het vertrouwensbeginsel afgewezen, omdat eerdere verrekeningen geautomatiseerd en niet inhoudelijk beoordeeld waren. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.