Verzoeker, een Iraanse derdelander uit Oekraïne, had aanvankelijk recht op tijdelijke bescherming in Nederland. Na beëindiging van deze bescherming besloot de minister het terugkeerbesluit op 20 augustus 2025 op te leggen, ondanks een lopend asielberoep. Verzoeker vroeg om een voorlopige voorziening om de gevolgen van dit besluit, zoals het verlies van opvang en arbeid, te schorsen.
De voorzieningenrechter overwoog dat op grond van relevante rechtspraak van het Hof van Justitie en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State alle gevolgen van het terugkeerbesluit geschorst moeten worden zolang het asielberoep loopt. De minister had alleen de vertrekplicht geschorst, maar niet de gevolgen voor opvang en arbeid, wat onterecht was.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, waarbij alle rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit werden geschorst totdat op het beroep is beslist. Tevens werd de minister veroordeeld in de proceskosten van verzoeker.