ECLI:NL:RBDHA:2025:18299
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning na verbroken huwelijk geen schending artikel 8 EVRM
Eiseres, met Marokkaanse nationaliteit, kreeg in november 2019 een verblijfsvergunning als gezinslid bij haar toenmalige partner (referent). Verweerder trok deze vergunning met terugwerkende kracht per 1 januari 2022 in, omdat het huwelijk feitelijk was verbroken en er geen gezinsband meer bestond. Tevens werd een terugkeerbesluit opgelegd en een aanvraag tot wijziging van het verblijfsdoel afgewezen.
Eiseres voerde aan dat de intrekking disproportioneel was en een schending van haar recht op privéleven volgens artikel 8 EVRM Pro opleverde, mede omdat zij geworteld is in Nederland en haar zoon hier woont. Ook stelde zij dat verweerder de hoorplicht in bezwaar had geschonden.
De rechtbank oordeelde dat het huwelijk en samenwoning feitelijk waren beëindigd en dat verweerder terecht de belangenafweging had gemaakt waarbij het algemeen belang zwaarder woog. De rechtbank vond dat verweerder alle relevante belangen had meegewogen en dat de hoorplicht niet was geschonden omdat het bezwaar geen nieuwe gronden bevatte. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.