Uitspraak
uitspraak van de meervoudige kamer van 24 september 2025 in de zaak tussen
Shell Nederland Raffinaderij B.V., uit Rotterdam, hierna: Shell
het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, het college
Inleiding
Samenvatting
Het bestreden besluit
Beoordeling door de rechtbank
de stof op de lijst met potentieel zeer zorgwekkende stoffen van het RIVM staat; of
het RIVM adviseert om de stof met een vergelijkbare zorg te behandelen omdat niet uitgesloten kan worden dat de stof aan een of meer van de criteria of voorwaarden, bedoeld in artikel 57 REACH Pro voldoet.”
Wm [11] – heeft de wetgever nadrukkelijk overwogen dat bij de invulling van dat begrip flexibiliteit gewenst is, gelet op het dynamische karakter van het milieu. Dan kan namelijk worden ingespeeld op nieuwe ontwikkelingen van inzichten en maatschappelijke opvattingen over de werking van het milieu en de aard van de gevolgen van menselijke handelingen voor het milieu. Het voorzorgsbeginsel, mits goed toegepast, kan daar naar het oordeel van de rechtbank bij uitstek een rol in vervullen.
25.2. De rechtbank ziet daarom aanleiding om voorschrift 2.1.6 te vernietigen en zelf in de zaak te voorzien, door te bepalen dat voorschrift 2.1.6 als volgt komt te luiden:
In het voornemen tot wijziging moet het volgende aangegeven worden:
de bij acceptatie mogelijke aanwezigheid van ZZS waarbij tevens wordt aangegeven of:
De minimumstandaard van het LAP reeds rekening houdt met de aanwezigheid van deze ZZS;
De ZZS in de afvalstof is vermeld op de autorisatielijst (bijlage XIV REACH) en de beoogde verwerking is niet het maken van een voorwerp;
De ZZS in de afvalstof is vermeld op de restrictielijst (bijlage XVII REACH) én voor de beoogde toepassing geldt een restrictie;
De ZZS een POP is waar de POP-verordening bijlage IV op toeziet.
…;
…;
de wijze waarop deze afvalstromen worden verwerkt en welke verwerkingsroutes als nader omschreven in het AV-AO/IC-document worden gevolgd;
of sprake is van ZZS-houdende afvalstromen waarbij sprake is van een mechanische, fysische en/of chemische handeling die gericht is op het maken van een product, halffabricaat of afvalstof die ten behoeve van een toepassing op de markt wordt gebracht en/of een mechanische, fysische en/of chemische handeling waarbij het verwerkte afval ook daadwerkelijk conform de beoogde toepassing wordt afgezet (bijvoorbeeld een product dat op de markt wordt gebracht);
….
Welke informatie wordt waar en met welke frequentie opgevraagd?
Geeft de lijst van zeer zorgwekkende stoffen van het RIVM aanleiding om een herziening van het register uit voorschrift 3.1.1?
Worden analyses uitgevoerd en zo ja welke, door wie en overeenkomstig welke normering?
Hoe en hoe vaak wordt gecontroleerd of de informatie nog actueel is?
Welke informatie kan niet in beeld worden gebracht, wat zijn daar de oorzaken van en welke actie onderneemt vergunninghouder daarop?
welke afvalstoffen ZZS bevatten en de aard van de ZZS (inclusief het CAS- nummer);
de gehaltes aan ZZS in die afvalstoffen.
Het betoog van Shell met betrekking tot de aanhef en het eerste gedachtestreepje van dit voorschrift slaagt niet.
een beschrijving van het bedrijf en de processen;
een overzicht van de afvalstoffen die ZZS bevatten, en het gehalte aan ZZS in deze afvalstoffen, gemeten of bepaald volgens voorschrift 3.2.2;
een analyse van de negatieve gevolgen voor mens en milieu van afvalstoffen die ZZS bevatten;
…;
haalbaarheidsanalyses (waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen zekere en onzekere maatregelen); en
planning van de uitvoering van de zekere maatregelen.
In het deskundigenverslag staat verder dat de berekening in de notitie van Peutz van 14 september 2022 niet relevant is voor het bestreden besluit, omdat deze geen betrekking heeft op de aanleg van de PTU en het effect van een scherm sterk afhankelijk is van de exacte locatie, breedte en hoogte van het scherm ten opzichte van de geluidbron. De Stab komt gelet daarop tot de conclusie dat hetgeen door Shell is aangevoerd geen aanleiding geeft om te veronderstellen dat de immissiepunten op 10 en 15 meter boven maaiveld nadelig uitwerken voor Shell.
In het deskundigenverslag staat ten slotte dat geen meerwaarde wordt gezien in de gekozen immissiepunten op een grotere hoogte dan 5 meter om hiermee een groter deel van de achtergelegen woonwijken effectiever en doelmatiger te beschermen ten opzichte van immissiepunten voor de gevel van de maatgevende woningen. Volgens het deskundigenverslag hadden, mede gezien het feit dat de geluidbelastingen berekend en niet gemeten worden, net zo goed immissiepunten op de eerstelijns bebouwingen van de woonwijken van Vlaardingen, Schiedam, Pernis en Hoogvliet kunnen worden gesitueerd.
Het betoog van Shell tegen dit voorschrift slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
In het voornemen tot wijziging moet het volgende aangegeven worden: