De minister van Asiel en Migratie legde op 17 september 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet. Eiser stelde hiertegen beroep in, dat tevens als verzoek om schadevergoeding werd aangemerkt. De rechtbank behandelde het beroep op 3 oktober 2025 via telehoren.
De minister baseerde de bewaring op zware gronden zoals het niet op voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland, het onttrekken aan toezicht, onvoldoende medewerking aan vaststelling identiteit en nationaliteit, en het niet naleven van de terugkeerplicht. Daarnaast werden lichte gronden aangevoerd, waaronder het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan.
De rechtbank stelde vast dat eiser niet langer rechtmatig verblijf had vanwege een terugkeerbesluit met een inreisverbod van twee jaar. Hoewel eiser betwistte dat hij geen gevolg zou geven aan de terugkeerplicht, oordeelde de rechtbank dat de minister terecht aannam dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en de uitzetting zou ontwijken. De minister handelde voortvarend door een laissez-passer aan te vragen en pogingen tot vertrekgesprekken te ondernemen.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring op de juiste grondslag was gebaseerd, dat een lichter middel niet doeltreffend zou zijn, en dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestond. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.