ECLI:NL:RBDHA:2025:18543
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek om proceskostenvergoeding na intrekking beroep in vreemdelingenzaak niet-ontvankelijk verklaard
Verzoekster diende een aanvraag voor een visum in die werd afgewezen. Na het indienen van bezwaar en beroep wegens niet-tijdig beslissen, trok verzoekster haar beroep in nadat de minister alsnog een verblijfsvergunning verleende voor verblijf bij een Nederlands kind.
Verzoekster vroeg vervolgens om veroordeling van de minister in de proceskosten. De minister bood een onvoorwaardelijke vergoeding van €453,50 aan, gelijk aan het bedrag dat de rechtbank bij een gegrond beroep zou toewijzen.
De rechtbank oordeelde dat dit aanbod verzoekster volledig schadeloos stelt en dat zij daardoor geen belang meer heeft bij een uitspraak over de proceskostenvergoeding. De enkele stelling dat betaling soms traag verloopt, verandert hier niets aan.
Daarom verklaart de rechtbank het verzoek om proceskostenvergoeding niet-ontvankelijk en doet zonder zitting uitspraak.
De uitspraak is gedaan door rechter M. van Harten en griffier F. Metz op 6 oktober 2025.
Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens een onvoorwaardelijk aanbod van de minister.