ECLI:NL:RBDHA:2025:18623
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige kinderalimentatie wegens onvoldoende spoedeisend belang
De vrouw en de man zijn ouders van twee minderjarige kinderen en oefenen gezamenlijk gezag uit. De kinderen verblijven bij de vrouw. De vrouw verzoekt op grond van artikel 223 Rv Pro voorlopige voorzieningen te treffen voor kinderalimentatie met terugwerkende kracht vanaf 1 mei 2024, omdat de man niet bijdraagt in de kosten van verzorging en opvoeding.
De rechtbank stelt vast dat de vrouw ontvankelijk is in haar verzoek, omdat het samenhangt met de hoofdzaak waarin zij ook kinderalimentatie vordert. Voor het toewijzen van voorlopige voorzieningen is echter vereist dat er een spoedeisend belang bestaat, zodat de vrouw de afloop van de bodemprocedure niet kan afwachten.
De vrouw heeft dit spoedeisend belang onvoldoende onderbouwd; de enkele stelling dat de man niet bijdraagt is onvoldoende. De rechtbank concludeert dat niet is aangetoond dat van de vrouw niet gevergd kan worden de hoofdzaak af te wachten en wijst het verzoek af. Iedere partij draagt haar eigen proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige kinderalimentatie wordt afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang.