ECLI:NL:RBDHA:2025:1863
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening
Eiser, een Turkse nationaliteit dragende asielzoeker, diende op 8 juni 2024 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Oostenrijk verantwoordelijk werd geacht op grond van de Dublinverordening, aangezien eiser daar eerder asiel had aangevraagd.
Eiser voerde aan dat het besluit onvoldoende zorgvuldig en gemotiveerd was, dat bijzondere persoonlijke omstandigheden zoals psychische problemen en gezinsbanden in Nederland een overdracht naar Oostenrijk onevenredig maken, en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is. De rechtbank oordeelde dat verweerder het besluit zorgvuldig en met voldoende motivering had genomen, waarbij ook de medische klachten en gezinsrelaties waren betrokken.
De rechtbank stelde dat het uitgangspunt is dat Oostenrijk zijn verplichtingen nakomt en dat eiser onvoldoende concrete aanwijzingen had geleverd voor een reëel risico op onmenselijke behandeling. Ook werd geoordeeld dat de claimverzoeken tijdig waren en dat de vermeende onduidelijkheden in de informatie geen aanleiding gaven om de aanvraag aan zich te trekken.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.