ECLI:NL:RBDHA:2025:18668
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bij beëindiging Bbz-uitkering wegens niet-levensvatbare onderneming
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag om de Bbz-uitkering, toegekend voor zijn onderneming gericht op de verkoop van baklava, niet verder te verlengen dan uiterlijk 31 augustus 2025.
De voorzieningenrechter constateert dat er sprake is van een spoedeisend belang vanwege een acute financiële noodsituatie van verzoeker. De inhoudelijke beoordeling richt zich op de vraag of de onderneming levensvatbaar is in de zin van het Bbz 2004. Uit een rapportage van 14 juli 2025 blijkt dat de onderneming geen omzet boven de bijstandsnorm genereert en dat de verkoop van baklava is gestaakt.
Verzoeker stelt dat hij inmiddels is overgestapt op vastgoedbemiddeling en verwacht daaruit inkomsten, maar de uitkering ziet alleen op de oorspronkelijke onderneming. De voorzieningenrechter oordeelt dat het college terecht heeft geconcludeerd dat de baklava-onderneming niet levensvatbaar is en dat het verzoek om verlenging van de uitkering daarom wordt afgewezen.
Er wordt opgemerkt dat verzoeker vrij staat een nieuwe aanvraag te doen voor zijn vastgoedbemiddelingsactiviteiten. De uitspraak is definitief en hoger beroep is niet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit tot beëindiging van de Bbz-uitkering wordt afgewezen.