Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvraag op 3 december 2024 en moest binnen zes maanden beslissen, maar stelde niet tijdig een besluit vast. Eiser stelde de minister op 23 juni 2025 schriftelijk in gebreke en diende daarna beroep in, maar dit was meer dan twee weken na de ingebrekestelling.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister niet binnen de wettelijke beslistermijn heeft gehandeld. De rechtbank legt de minister een nadere beslistermijn op volgens het 8+8-wekenmodel: binnen acht weken na verzending van het vonnis moet de minister een gehoor afnemen over de asielmotieven, en binnen acht weken daarna het besluit bekendmaken.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100 per dag met een maximum van € 15.000 voor elke dag dat de minister de termijn overschrijdt. Ook wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 453,50, vanwege de inschakeling van professionele juridische hulp en het beperkte onderwerp van het geschil.