In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag op 29 augustus 2025 uitspraak gedaan over het beroep van eiser, die stelde dat de minister van Asiel en Migratie niet tijdig had beslist op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank oordeelde dat de minister de aanvraag op 3 december 2024 had ontvangen en dat hij binnen zes maanden, dus uiterlijk op 3 juni 2025, had moeten beslissen. Eiser heeft de minister op 23 juni 2025 in gebreke gesteld, maar heeft pas meer dan twee weken later beroep ingesteld. De rechtbank concludeerde dat het beroep gegrond was, omdat de minister niet tijdig had beslist.
De rechtbank heeft de minister een termijn van twee weken gegeven om alsnog een besluit te nemen, maar gezien de omstandigheden, waaronder het feit dat eiser nog niet was gehoord over zijn asielmotieven, heeft de rechtbank besloten om de minister een langere termijn op te leggen. De rechtbank volgde het 8+8-wekenmodel, wat betekent dat de minister binnen acht weken na de uitspraak een gehoor moet afnemen en binnen acht weken daarna een besluit moet nemen.
Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat de minister een dwangsom van € 100,- per dag moet betalen voor elke dag dat hij de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. Eiser heeft ook recht op een vergoeding van de proceskosten, die is vastgesteld op € 453,50. De uitspraak is openbaar gemaakt en de rechtbank heeft de minister opgeroepen om binnen zestien weken een besluit op de aanvraag bekend te maken.