Eiser werd op 24 september 2025 in bewaring gesteld door de minister van Asiel en Migratie. Na een hoorzitting werd eiser door een misverstand tussen de hulpofficier van justitie en de Koninklijke Marechaussee onterecht heengezonden, waardoor hij korte tijd buiten de macht van de minister was. Hoewel dit een vergissing betrof, betekent het feit dat eiser feitelijk op vrije voeten was gesteld dat de maatregel van bewaring feitelijk was opgeheven.
Toen eiser zich vrijwillig weer meldde bij de Marechaussee, had een nieuwe maatregel moeten worden opgelegd om hem opnieuw in bewaring te stellen. Dit is niet gebeurd, waardoor eiser sindsdien zonder geldige titel in bewaring verbleef. De rechtbank oordeelt dat deze situatie onrechtmatig is en dat de periode van bewaring na de opheffing niet rechtmatig was.
De rechtbank gelast de invrijheidstelling van eiser en kent een schadevergoeding toe van €1600,- voor de zestien dagen dat eiser ten onrechte van zijn vrijheid is beroofd. Daarnaast worden de proceskosten van eiser tot een bedrag van €1.814,- aan de minister opgelegd. Deze uitspraak is een hersteluitspraak waarin een kennelijke verschrijving is gecorrigeerd: de juiste instantie is de Koninklijke Marechaussee in plaats van de Koninklijke Marine.