ECLI:NL:RVS:2025:232
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtskarakter model M113 bij opheffing bewaring vreemdeling
De minister van Asiel en Migratie stelde een vreemdeling met Algerijnse nationaliteit op 25 augustus 2024 in bewaring op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. Later die dag volgde een tweede bewaring op grond van artikel 59a. De rechtbank oordeelde dat het opmaken van model M113 een constitutief vereiste was voor de opheffing van de eerste bewaring en kende schadevergoeding toe voor de periode tot 4 september 2024.
De minister stelde hoger beroep in, stellende dat model M113 slechts een administratief document is en geen besluit tot beëindiging van bewaring inhoudt. De Afdeling bestuursrechtspraak onderzocht het rechtskarakter van model M113 en concludeerde dat het geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht en ook niet gelijkgesteld moet worden met een besluit op grond van artikel 93 van Pro de Vreemdelingenwet 2000.
De Afdeling stelde vast dat de opheffing van bewaring een feitelijke handeling is en dat de eerste bewaring eindigt door het opleggen van de tweede bewaring op dezelfde dag. De grieven van de minister werden gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover deze de opheffing van de eerste bewaring en de schadevergoeding betrof, en een beperkte schadevergoeding toegekend voor de dag dat de bewaring onrechtmatig was.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de rechtbankuitspraak vernietigd voor zover het de opheffing van de eerste bewaring en de schadevergoeding betreft.