De minister van Asiel en Migratie legde op 16 september 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser, een Algerijnse vreemdeling, wegens het risico dat hij zich aan toezicht zou onttrekken. Eiser voerde onder meer aan dat de minister onvoldoende inspanningen had verricht tijdens zijn strafrechtelijke detentie en dat er geen zicht was op uitzetting naar Algerije.
De rechtbank oordeelde dat de minister zijn inspanningsverplichting niet had geschonden, gelet op de vertrekgesprekken en de lopende lp-aanvraag bij de Algerijnse autoriteiten. De zware gronden voor bewaring, waaronder het niet op voorgeschreven wijze binnenkomen en onvoldoende medewerking aan vaststelling identiteit, waren feitelijk juist en voldoende gemotiveerd.
Verder concludeerde de rechtbank dat er voldoende aanleiding was voor de maatregel van bewaring vanwege het risico op onttrekking en dat een lichter middel niet volstond. Ook het bezwaar dat de minister onvoldoende rekening had gehouden met de zwaardere situatie van eiser vanwege zijn leeftijd werd verworpen.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.