ECLI:NL:RBDHA:2025:18920
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel van vreemdelingenbewaring
De minister van Asiel en Migratie legde op 6 mei 2025 aan eiser een maatregel van vreemdelingenbewaring op op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding.
De rechtbank stelde vast dat de maatregel tot het moment van het sluiten van het onderzoek op 27 augustus 2025 rechtmatig was verklaard in een eerdere uitspraak van 2 september 2025. De beoordeling richtte zich daarom op de periode daarna. Eiser voerde aan dat de minister onvoldoende voortvarend was in het uitzettingstraject, mede vanwege onduidelijkheid over zijn nationaliteit en het ontbreken van een laissez-passer van de Algerijnse autoriteiten.
De rechtbank oordeelde dat de minister sinds de vorige uitspraak voldoende inspanningen had verricht, waaronder meerdere rappelleringen en een vertrekgesprek met eiser. De rechtbank achtte het aan de minister om het meest kansrijke uitzettingstraject te bepalen en concludeerde dat er zicht op uitzetting was. De beroepsgronden faalden en er was geen aanleiding om de rechtmatigheid van de maatregel in twijfel te trekken.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.