ECLI:NL:RBDHA:2025:18957

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 september 2025
Publicatiedatum
15 oktober 2025
Zaaknummer
NL25.44072
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b VreemdelingenbesluitArt. 5 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring en schadevergoeding in vreemdelingenrecht

Eiser, met de Algerijnse nationaliteit, werd op 9 september 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was gebaseerd op een concreet aanknopingspunt voor een overdracht volgens de Dublinverordening en het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken. Verweerder hief de bewaring op op 16 september 2025. Eiser stelde beroep in tegen de bewaring en verzocht tevens om schadevergoeding.

De rechtbank beoordeelde of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was geweest. De gronden voor de bewaring werden niet bestreden en bleken voldoende gemotiveerd. Eiser stelde dat zijn fundamentele recht om in persoon te worden gehoord was geschonden, maar de rechtbank oordeelde dat dit recht niet absoluut is en onder omstandigheden beperkt mag worden, mits evenredig en zonder aantasting van de kern.

Omdat eiser op de zittingsdatum niet meer in Nederland verbleef vanwege overdracht aan Duitse autoriteiten twee dagen eerder, was het niet redelijk om de overdracht uit te stellen om het recht op horen te waarborgen. Eiser was vertegenwoordigd door een gemachtigde die zijn belangen kon behartigen. De rechtbank concludeerde dat de beperking van het recht op horen niet onevenredig was en dat de bewaring niet onrechtmatig was.

Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.44072

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Smeulders).

Procesverloop

Bij besluit van 9 september 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 16 september 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 18 september 2025 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 2000.
Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De gemachtigde van eiser heeft aangevoerd dat het recht van eiser om in persoon op een zitting gehoord te worden over de inbewaringstelling is geschonden. De schending van dit fundamentele recht moet tot gegrondverklaring van het beroep leiden.
De rechtbank overweegt als volgt.
Allereerst wordt vastgesteld dat de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd niet zijn bestreden. Ook ambtshalve toetsend ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat deze gronden en de daarbij gegeven motivering de maatregel niet kunnen dragen.
Eiser voert terecht aan dat het recht om op zitting te worden gehoord een fundamenteel recht is, maar dit recht is niet absoluut en kan onder omstandigheden worden beperkt. Een beperking moet wel evenredig zijn en de kern van het recht niet aantasten. De toetsing aan het evenredigheidsbeginsel is afhankelijk van een individuele beoordeling. [1]
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zwaar gewicht mocht toekennen aan het streven de inbewaringstelling zo kort mogelijk te laten duren gelet op het recht op fundamentele vrijheid als neergelegd in artikel 5 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Wel rust op verweerder de verplichting om als eiser op het moment dat de behandeling op zitting plaatsvindt feitelijk in Nederland verblijft, te onderzoeken of de overdracht met een uur of enkele uren kan worden uitgesteld, wanneer dit zou betekenen dat de vreemdeling in dat geval wel gebruik kan maken van zijn recht om ter zitting door de rechtbank te worden gehoord. [2] In het geval van eiser heeft de overdracht aan de Duitse autoriteiten plaatsgevonden op 16 september 2025, derhalve twee dagen voor de zitting bij de rechtbank. Eiser verbleef dus op het moment van de zitting niet langer in Nederland. Gezien het zwaarwegend belang van eiser om zo spoedig mogelijk in vrijheid te worden gesteld ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder de overdrachtsdatum ook had moeten afstemmen op de geplande zittingsdatum, omdat dit in het geval van eiser de vrijheidsontneming met ten minste twee dagen zou hebben verlengd.
Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank de beperking van eisers recht om te worden gehoord niet onevenredig. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat eiser in de procedure is vertegenwoordigd door een gemachtigde. Door middel van zijn gemachtigde heeft eiser zijn beroepsgronden ter zitting kunnen toelichten, waardoor zijn belangen zijn behartigd. Daarmee is eiser niet in de kern van het recht om te worden gehoord aangetast.
Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is [3] , ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van de opheffing daarvan onrechtmatig was. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van J.J. Brands, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:86.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2296.
3.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ECLI:EU:C:2022:858 en ECLI:EU:C:2025:647.