ECLI:NL:RBDHA:2025:19015

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 oktober 2025
Publicatiedatum
17 oktober 2025
Zaaknummer
AWB 24-20227 en AWB 25-1817
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 78 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening en bezwaar tegen weigering verblijfsvergunning regulier

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 30 december 2024 waarin is bepaald dat hij niet in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning. Tevens heeft hij tweemaal verzocht om een voorlopige voorziening om de terugkeer naar Turkije te voorkomen.

De voorzieningenrechter beoordeelt eerst de indieningsvereisten, maar gaat hier vanwege uitzonderlijke omstandigheden voorbij. Er is sprake van een cluster van zaken met weinig communicatie en vermoedelijk misbruik van recht. Verzoeker heeft niet duidelijk gemaakt welke voorlopige voorziening wordt gevraagd, maar dit wordt geïnterpreteerd als opschorting van de terugkeerplicht.

Verzoeker beroept zich zonder onderbouwing op het associatierecht tussen de EU en Turkije en toont bereidheid de aanvraag aan te vullen, maar dit is onvoldoende om het bezwaar kansrijk te achten. Het bezwaar wordt daarom ongegrond verklaard. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van connexiteit na de ongegrondverklaring van het bezwaar.

Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en het bezwaar tegen het primaire besluit wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummers: AWB 24/20227 en AWB 25/1817

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker,

V-nummer: [V-nummer]
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Inleiding

In het besluit van 30 december 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder bepaald dat verzoeker niet in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning.
Verzoeker heeft bij verweerder bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Hij heeft verder de voorzieningenrechter tweemaal verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Beoordeling door de voorzieningenrechter

AWB 24/20227
1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist.
2. Voordat de voorzieningenrechter inhoudelijk kan beoordelen of een voorlopige voorziening nodig is, moet worden beoordeeld of aan alle indieningsvereisten – zoals het betalen van griffierecht en het vermelden van gronden – is voldaan, en of sprake is van onverwijlde spoed. Om proceseconomische redenen, en omdat sprake is van uitzonderlijke omstandigheden, gaat de voorzieningenrechter daaraan in dit geval voorbij. De uitzonderlijke omstandigheden bestaan daarin dat dit verzoek deel uitmaakt van een cluster van vele tientallen zaken waarin na de indiening van het verzoek nauwelijks communicatie met verzoekers mogelijk is, verzuimen niet worden hersteld, en bovendien door alle verzoekers slechts enkele postadressen worden opgegeven waar zij blijkens openbaar toegankelijke bronnen onmogelijk allemaal daadwerkelijk kunnen wonen. Naar het zich laat aanzien is dan ook sprake van misbruik van recht. Tegen die achtergrond ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het verzoek als volgt inhoudelijk af te doen. Partijen worden hierdoor niet benadeeld.
3. Verzoeker maakt niet expliciet duidelijk welke voorlopige voorziening hij vraagt. Daarom dient ervan uit te worden gegaan dat het verzoek betrekking heeft op het opschorten van de rechtsgevolgen zoals die in het primaire besluit zijn opgenomen, namelijk dat verzoeker moet terugkeren naar Turkije.
4. In het primaire besluit heeft verweerder uitgelegd waarom verzoeker niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier. Verzoeker voert nu, zonder enige toelichting, aan dat hij onder het associatierecht tussen de Europese Unie en Turkije valt. Voor zover sprake is van het indienen van een incomplete aanvraag, wordt vermeld dat er alsnog bereidheid is om de aanvraag compleet te maken. Een dergelijke bereidheid is als zodanig echter onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat het bezwaar ook maar enige kans van slagen heeft, en dat geldt evenzeer voor het gebrek aan elke onderbouwing van het beroep op het associatierecht. Verzoeker is in de gelegenheid gesteld om de gronden aan te vullen, maar heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom als kennelijk ongegrond afgewezen.
5. Aangezien het verzoek kennelijk is gedaan teneinde uitzetting te voorkomen voordat op het bezwaar is beslist, en gelet op het voorgaande over de uitkomst van het bezwaar geen enkele twijfel bestaat, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om met toepassing van artikel 78 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 het bezwaar ongegrond te verklaren.
AWB 25/1817
6. Op grond van 8:81 van de Awb kan een voorlopige voorziening alleen worden verzocht zolang er bezwaar of beroep aanhangig is.
7. Het verzoek is ingediend aanhangig het bezwaar. Gelet op hetgeen in rechtsoverweging 5 van deze uitspraak is opgenomen, is het bezwaar ongegrond verklaard. Om die reden wordt het verzoek om voorlopige voorziening zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard vanwege het komen ontbreken van connexiteit.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer AWB 24/20227 af;
 verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer AWB 25/1817 niet-ontvankelijk;
 verklaart het bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 14 oktober 2025 door mr. J.F.I. Sinack, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.