ECLI:NL:RBDHA:2025:19021
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing opvolgende asielaanvraag Egyptische Koptische christen wegens gebrek aan nieuwe relevante feiten
Eiser, een Koptische christen uit Egypte, diende op 4 maart 2024 een opvolgende aanvraag om een verblijfsvergunning asiel in. Deze aanvraag werd door de minister op 14 juli 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser voerde aan dat zijn moeder telefonisch bedreigd zou zijn door extremistische salafisten vanwege zijn geloof, en dat hij zelf vanwege zijn religieuze en politieke uitingen in Egypte gevaar loopt.
De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn moeder daadwerkelijk bedreigd is door salafisten. De overgelegde verklaring van een mensenrechtenorganisatie (EUHRO) wordt als onvoldoende objectief verifieerbaar beoordeeld, mede door inconsistenties in de vertaling en het ontbreken van openbaar gemaakte bronnen. Ook het Facebookaccount waarmee eiser reageerde is niet overtuigend aan hem te herleiden.
Ten aanzien van de vrees voor vervolging stelt de rechtbank vast dat de situatie van Koptische christenen in Egypte niet zodanig is dat elke koptische christen wordt vervolgd. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk in negatieve aandacht staat van de autoriteiten. Zijn politieke en religieuze activiteiten zijn marginaal en deels onder pseudoniem uitgevoerd. Bovendien heeft hij sinds 2020 geen activiteiten meer ontplooid en verklaard dit ook niet te zullen doen bij terugkeer.
De rechtbank concludeert dat er geen nieuwe relevante feiten of omstandigheden zijn die de eerdere afwijzing kunnen veranderen en dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft aangetoond. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de afwijzing van de asielaanvraag blijft in stand.
Uitkomst: De rechtbank handhaaft de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag wegens gebrek aan nieuwe relevante feiten en onvoldoende aannemelijkheid van gegronde vrees voor vervolging.