ECLI:NL:RBDHA:2025:1910
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening Kroatië
Eiser, van Syrische nationaliteit, diende op 11 augustus 2024 een asielaanvraag in Nederland in. Nederland stelde vast dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag op grond van de Dublinverordening, omdat eiser eerder asielverzoeken in Griekenland en Kroatië had ingediend. De minister nam de aanvraag niet in behandeling en dit besluit werd aangevochten door eiser.
De rechtbank oordeelde dat eiser nog procesbelang heeft omdat zijn gemachtigde nog contact met hem onderhoudt. Eiser voerde aan dat er structurele tekortkomingen zijn in de Kroatische asielprocedure en opvang, en dat hij persoonlijk mensonterend is behandeld, wat psychische klachten veroorzaakte. De rechtbank stelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat Kroatië zijn verplichtingen niet nakomt. Zijn persoonlijke ervaringen leiden niet tot een uitzondering op dit beginsel.
Verder wees de rechtbank het betoog af dat de minister artikel 17 van Pro de Dublinverordening had moeten toepassen om het verzoek in Nederland te behandelen. Er waren geen bijzondere, individuele omstandigheden die een onevenredige hardheid zouden opleveren. Ook de stelling dat het besluit onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd zou zijn, werd verworpen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.