Uitspraak
RECHTBANK Den Haag
2. [gedaagde sub 2] ,
Rechtbank Den Haag
In deze zaak, behandeld door de Rechtbank Den Haag, is er een geschil ontstaan tussen eiser en gedaagden over de verdeling van winst na een samenwerkingsovereenkomst die in 2015 werd gesloten. Eiser, die tussen 2015 en 2019 in Suriname verbleef en in 2020 en 2021 gedetineerd was, vordert dat gedaagde sub 1 de helft van de winst over de periode van 2015 tot 2023 aan hem uitbetaalt. Gedaagde sub 1 heeft de samenwerking per 31 december 2022 opgezegd en heeft sindsdien de administratie en financiën beheerd. Eiser stelt recht te hebben op een bedrag van € 420.000,-, maar de rechtbank oordeelt dat eiser niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. De rechtbank wijst de vorderingen van eiser af, omdat hij niet voldoende bewijs heeft geleverd voor zijn claims. Eiser heeft ook een aanhoudingsverzoek gedaan om het arrest in een hoger beroep af te wachten, maar dit verzoek werd afgewezen wegens strijd met de goede procesorde. De rechtbank legt de proceskosten op aan eiser, die in het ongelijk is gesteld.