ECLI:NL:RBDHA:2025:19102

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 oktober 2025
Publicatiedatum
20 oktober 2025
Zaaknummer
C/09/683597 HA ZA 25-320
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over verdeling van winst na samenwerking en afwijzing vordering wegens niet voldoen aan stelplicht

In deze zaak, behandeld door de Rechtbank Den Haag, is er een geschil ontstaan tussen eiser en gedaagden over de verdeling van winst na een samenwerkingsovereenkomst die in 2015 werd gesloten. Eiser, die tussen 2015 en 2019 in Suriname verbleef en in 2020 en 2021 gedetineerd was, vordert dat gedaagde sub 1 de helft van de winst over de periode van 2015 tot 2023 aan hem uitbetaalt. Gedaagde sub 1 heeft de samenwerking per 31 december 2022 opgezegd en heeft sindsdien de administratie en financiën beheerd. Eiser stelt recht te hebben op een bedrag van € 420.000,-, maar de rechtbank oordeelt dat eiser niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. De rechtbank wijst de vorderingen van eiser af, omdat hij niet voldoende bewijs heeft geleverd voor zijn claims. Eiser heeft ook een aanhoudingsverzoek gedaan om het arrest in een hoger beroep af te wachten, maar dit verzoek werd afgewezen wegens strijd met de goede procesorde. De rechtbank legt de proceskosten op aan eiser, die in het ongelijk is gesteld.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
zaak- / rolnummer: C/09/683597 / HA ZA 25-320
Vonnis van 15 oktober 2025 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiser], te [woonplaats 1] ,
eiser,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. J.P. Sanchez Montoto te Zaandam,
tegen
1. [gedaagde sub 1], voorheen handelend onder de naam [handelsnaam 1] en [handelsnaam 2] ,
2. [gedaagde sub 2] ,
beiden te [woonplaats 2] ,
gedaagden,
advocaat: mr. M.A.J. Kemps te Eindhoven.
Eiser wordt hierna ‘ [eiser] ’ genoemd. Gedaagden worden hierna afzonderlijk ‘ [gedaagde sub 1] ’ en ‘ [gedaagde sub 2] ’ en gezamenlijk ‘ [gedaagden] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 30 januari 2025;
- de akte van [eiser] met producties 1 tot en met 12;
- de conclusie van antwoord van 25 juni 2025, met een productie;
- het tussenvonnis van 16 juli 2025, waarbij de mondelinge behandeling is bepaald;
- het verzoek om uitstel van de mondelinge behandeling van [eiser] van 23 juli 2025;
- het bericht van de rechtbank aan partijen van 1 augustus 2025, waarbij een nieuwe datum voor de mondelinge behandeling (2 oktober 2025) is meegedeeld;
- berichten van [eiser] van 22 september 2025 met producties 13 tot en met 17;
- het bericht van [gedaagden] van 22 september 2025 met producties 2 tot en met 8.
1.2.
Op 2 oktober 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Verschenen zijn [eiser] en [gedaagde sub 1] , bijgestaan door hun advocaten.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in deze procedure van het volgende uitgegaan.
2.1.
[eiser] en [gedaagde sub 1] hebben in 2015 mondeling een samenwerkingsovereenkomst gesloten met betrekking tot het huren en (onder)verhuren van panden, waarbij is afgesproken dat behaalde winst en geleden verlies tussen partijen zouden worden gedeeld (50/50). In de periode tussen 2015 en 2021 heeft [gedaagde sub 1] (al dan niet samen met anderen) vanwege afwezigheid van [eiser] – die tussen 2015 en 2019 in Suriname verbleef en in 2020 en 2021 gedetineerd was – alle uit deze samenwerking voortvloeiende werkzaamheden, inclusief het voeren van de administratie en beheer van financiën, verricht.
2.2.
[gedaagde sub 1] heeft bij brief van 29 november 2022 de samenwerking met [eiser] per 31 december 2022 opgezegd. [eiser] heeft de werkzaamheden voortgezet.
2.3.
Op 15 november 2022 heeft de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD) bij invallen in kantoorpanden van [gedaagde sub 1] en op het huisadres van zijn partner [gedaagde sub 2] onder meer de fysieke en digitale administratie (waaronder huurovereenkomsten en kwitantieboekjes) en contant geld in beslag genomen. Onder meer de administratie is in 2023 (al dan niet geheel) teruggegeven aan [gedaagde sub 1] .
2.4.
Tussen [eiser] en [gedaagde sub 1] is een geschil ontstaan over de (financiële) administratie van hun samenwerkingsverband. [eiser] is een kort geding gestart, waarbij hij onder meer afgifte van de complete (financiële) administratie over 2015 tot 2022 van [gedaagde sub 1] heeft gevorderd. Bij vonnis in kort geding van 20 februari 2023 (met zaak-/rolnummer C09/640457 KG ZA 22-1152) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de vorderingen van [eiser] afgewezen. [eiser] heeft tegen dit vonnis hoger beroep bij het gerechtshof Den Haag ingesteld.
2.5.
Op 10 november 2023 heeft een mondelinge behandeling in de hoger beroepsprocedure plaatsgevonden. [eiser] en [gedaagde sub 1] hebben ter zitting een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarin onder meer is vermeld dat deze vervalt indien de gemaakte afspraken niet voor het einde van 2023 zijn nagekomen. In 2024 is de hoger beroepsprocedure voortgezet. Bij brief van 22 juli 2024 heeft het hof aan partijen meegedeeld dat de mondelinge behandeling nader is bepaald op 6 februari 2025 (en dat geen verder uitstel meer zal worden verleend behoudens klemmende redenen of overmacht).
2.6.
Begin 2025 heeft [eiser] de dagvaarding in de onderhavige procedure laten uitbrengen. De mondelinge behandeling bij het hof in de hoger beroepsprocedure heeft plaatsgevonden op 20 mei 2025. De laatste stand van zaken in de hoger beroepsprocedure is dat het hof (op de rolzitting van 30 september 2025) is verzocht om arrest te wijzen, waarna de zaak voor het fourneren van stukken naar de rol is verwezen van 14 oktober 2025.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde sub 1] veroordeelt tot nakoming van de tussen [eiser] en [gedaagde sub 1] gesloten samenwerkingsovereenkomst;
II. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 937.000,- aan [eiser] , te vermeerderen met de wettelijke handelsrente;
III. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente.
3.2.
[eiser] legt aan zijn vorderingen – samengevat – het volgende ten grondslag. [gedaagde sub 1] pleegt wanprestatie door geen winst aan [eiser] uit te keren. Die winst bedroeg € 120.000,- per jaar. [eiser] heeft recht op € 420.000,-; dat is de helft van de totale winst in de periode van 2015 tot 2023. Ook moet [gedaagde sub 1] € 85.000,- aan [eiser] betalen, omdat hij dit bedrag aan ontvangen borgsommen ten onrechte onder zich heeft gehouden. Datzelfde geldt voor € 432.000,- aan huurpenningen. [gedaagde sub 2] handelt onrechtmatig jegens [eiser] door te profiteren van de door [gedaagde sub 1] gepleegde wanprestatie.
3.3.
[gedaagden] voert verweer, dat ertoe strekt de vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten, vermeerderd met de nakosten en de wettelijke rente.
3.4.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Beoordeling van het aanhoudingsverzoek
4.1.
[eiser] heeft aan het begin van de mondelinge behandeling in de onderhavige procedure een aanhoudingsverzoek gedaan; hij wenst het arrest in de hoger beroepsprocedure af te wachten. [gedaagden] heeft bezwaar gemaakt tegen het aanhoudingsverzoek.
4.2.
De rechtbank zal dit verzoek afwijzen, om de volgende redenen. [eiser] is de onderhavige procedure begin 2025 gestart in de wetenschap dat in de hoger beroepsprocedure nog geen arrest was gewezen. In de dagvaarding en de nader overgelegde stukken is niet vermeld dat [eiser] (nog) niet in staat is zijn vorderingen te onderbouwen en dat hij daartoe nog in de gelegenheid wil worden gesteld. Op
23 juli 2025 heeft mr. Sanchez Montoto om uitstel van de mondelinge behandeling van
16 september 2025 gevraagd vanwege een andere zitting. De rechtbank heeft dat uitstel verleend, waarna de mondelinge behandeling in de onderhavige procedure in overleg met partijen is verplaatst naar 2 oktober 2025. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling zijn op 22 september 2025 nog stukken ontvangen van de zijde van [eiser] . In dat uitstelverzoek en (begeleidend schrijven bij) de nadere stukken is niets vermeld over de hoger beroepsprocedure en de wens de uitkomst daarvan af te wachten. Het is niet duidelijk waarom [eiser] tot de mondelinge behandeling heeft gewacht met het doen van een aanhoudingsverzoek. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het ter zitting gedane verzoek in strijd met de eisen van een goede procesorde, die onder meer een doelmatige en voortvarende rechtspleging eisen.
Inhoudelijke beoordeling
Nakoming overeenkomst, betaling winstdeel
4.3.
[eiser] heeft nakoming van de overeenkomst gevorderd. De verplichting waarvan nakoming wordt gevorderd betreft de verplichting van [gedaagde sub 1] om [eiser] de helft van de winst te betalen over de periode van 2015 tot 2023. [eiser] stelt recht te hebben op € 420.000,- over deze periode. [gedaagde sub 1] betwist dat de winst niet is betaald en betwist voorts de gestelde hoogte van de winst. Volgens [gedaagde sub 1] is de winst steeds (contant) betaald, deels aan [eiser] en zijn partner en deels aan de zoon van [eiser] .
4.4.
De stelplicht en bewijslast ten aanzien van de stelling dat [gedaagde sub 1] zijn betalingsverplichting(en) uit hoofde van de overeenkomst niet is nagekomen, rusten op [eiser] . [eiser] heeft echter niet deugdelijk en toereikend gemotiveerd en onderbouwd op grond van welke relevante feiten en omstandigheden hij betaling van het gevorderde bedrag aan winst van [gedaagde sub 1] kan verlangen. [eiser] stelt dat de winst jaarlijks € 120.000,- bedroeg. Hoewel aan [eiser] wat betreft de concretisering van deze stelling geen al te hoge eisen gesteld kunnen worden, mag wel van hem worden verwacht dat hij uitlegt hoe het gevorderde bedrag tot stand is gekomen. In de dagvaarding (onder 20) stelt [eiser] dat de winst op basis van de incomplete (financiële) administratie waarover hij beschikt € 120.000,- per jaar bedraagt. Als dit bedrag volgt uit stukken waarover [eiser] (wel) beschikt, dan had deze stelling met stukken kunnen en dus moeten worden onderbouwd. Dat is nagelaten. Ter zitting heeft [eiser] desgevraagd verklaard dat de hoogte van de winst is afgeleid uit stukken van de FIOD en hetgeen door de FIOD bij [gedaagde sub 1] is aangetroffen. Voor zover het gaat om overgelegde stukken, dan overweegt de rechtbank dat het niet aan haar is om zelf in producties op zoek te moeten gaan naar informatie die relevant zou kunnen zijn voor de onderbouwing van een vordering. [eiser] dient de feiten en gronden die van belang zijn voor de beoordeling van zijn vordering bovendien volledig, concreet, gemotiveerd en naar waarheid aan te voeren. De rechtbank constateert verder dat [eiser] in de dagvaarding stelt dat de samenwerking zeven jaar heeft geduurd, zodat de helft van de winst (uitgaande van
€ 120.000,- per jaar) € 420.000,- bedraagt. Tegelijkertijd wordt echter gesteld dat de samenwerking duurde van 2015 tot 2023, dat is acht jaar. Wat [eiser] verder nog had kunnen (en dus moeten) aanvoeren is hoe het kan dat tot aan de beëindiging van de jarenlange samenwerking tussen deze (professionele) partijen geen enkele euro aan winst aan [eiser] is uitgekeerd. Op zijn minst mag worden verwacht dat [eiser] inzicht heeft gevraagd in behaalde winst. Er was tijdens het verblijf van [eiser] in Suriname tussen 2015 en 2019 nauw (vrijwel dagelijks) telefonisch contact tussen partijen, verklaarde [eiser] ter zitting. Indien dat inzicht door [gedaagde sub 1] is gegeven, dan mocht worden verwacht dat [eiser] dit concreet had toegelicht. Indien dat inzicht niet werd gegeven, dan mocht worden verwacht dat [eiser] zou hebben toegelicht waarom de samenwerking desondanks jarenlang is voortgezet. De conclusie van het voorgaande is dat [eiser] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. Nu niet is voldaan aan de stelplicht komt de rechtbank niet toe aan bewijslevering.
4.5.
Met betrekking tot de stelling van [eiser] dat [gedaagde sub 1] over de complete financiële administratie beschikt, overweegt de rechtbank nog het volgende. Voor een gedaagde partij kan een verzwaarde motiveringsplicht of verzwaring van de informatieplicht worden aangenomen (waarna die partij bijvoorbeeld kan worden opgedragen tegenbewijs te leveren). Indien zou worden uitgegaan van de juistheid van voornoemde stelling van [eiser] , dan betekent dat naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer dat een verzwaarde motiveringsplicht of verzwaring van de informatieplicht voor [gedaagde sub 1] geldt. Het enkele feit dat relevante gegevens zich bevinden in de invloedssfeer van de wederpartij, rechtvaardigt niet zonder meer de toepassing van de verzwaarde motiveringsplicht [1] . Gekeken moet worden naar de omstandigheden van het geval. Gelet op wat hiervoor onder 4.4 is overwogen, ziet de rechtbank in de omstandigheden van dit geval geen aanleiding voor het aannemen van een verzwaarde motiveringsplicht van [gedaagde sub 1] . Het ligt in deze procedure in eerste instantie op de weg van [eiser] om zijn vordering voldoende te motiveren en onderbouwen. Daar komt bij dat [gedaagde sub 1] in de conclusie van antwoord heeft gesteld dat op 8 januari 2023 een Excelmap met daarin de (enige en gehele) financiële administratie is overhandigd aan de advocaat van [eiser] . De advocaat van [eiser] heeft de vraag ter zitting of die map is ontvangen slechts met ‘bij mijn weten niet’ beantwoord. Op dit – voor [eiser] belangrijke – punt had een expliciete betwisting mogen worden verwacht. Ook heeft [gedaagde sub 1] onweersproken gesteld dat inzage is gegeven in kwitantieboekjes, maar dat van die mogelijkheid geen gebruik is gemaakt.
4.6.
Gelet op het voorgaande zullen de vorderingen die zien op nakoming van de samenwerkingsovereenkomst en betaling van winst worden afgewezen.
Waarborgsommen en huur
4.7.
[eiser] heeft als enige onderbouwing van de gevorderde waarborgsommen gesteld dat de FIOD tijdens de invallen in 2022 bijna € 135.000,- aan contant geld bij [gedaagde sub 1] heeft aangetroffen. Volgens [eiser] zou [gedaagde sub 1] hebben verklaard dat € 85.000,- bestond uit waarborgsommen. [gedaagden] betwist dat het aangetroffen contante geld verband hield met de samenwerking met [eiser] . De productie(s) waarnaar [eiser] verwijst, bevat(ten) ook niet een dergelijke verklaring van [gedaagde sub 1] of anderszins informatie waaruit de juistheid van de stelling van [eiser] blijkt. Ook op dit onderdeel van de vordering voldoet [eiser] niet aan zijn stelplicht. Datzelfde geldt ook voor de vordering die ziet op (door [gedaagde sub 1] onder zich gehouden) huurpenningen. Iedere onderbouwing van deze vordering ontbreekt. Het voorgaande betekent dat de vorderingen die zien op waarborgsommen en huur zullen worden afgewezen.
De vorderingen jegens [gedaagde sub 2]
4.8.
Nu de vorderingen van [eiser] jegens [gedaagde sub 1] zullen worden afgewezen, zijn de vorderingen jegens [gedaagde sub 2] evenmin toewijsbaar.
Proceskosten
4.9.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:
- griffierecht
2.723,00
- salaris advocaat
1.228,00
(2 punten × € 614,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
4.129,00
4.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 4.129,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.M. de Keuning en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2025.
3669

Voetnoten

1.Vgl. bijv. ECLI:NL:PHR:2024:580 (3.20).