Uitspraak
RECHTBANK Den Haag
2. [gedaagde sub 2] ,
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Den Haag
Eiser en gedaagde sloten in 2015 een mondelinge samenwerkingsovereenkomst waarbij winst en verlies 50/50 zouden worden gedeeld. Gedaagde voerde de werkzaamheden uit tijdens afwezigheid van eiser, die tussen 2015 en 2021 deels in Suriname verbleef en gedetineerd was. In 2022 werd de samenwerking opgezegd en ontstond een geschil over de financiële administratie en winstverdeling.
Eiser vorderde nakoming van de overeenkomst en betaling van € 937.000,-, waaronder winstuitkeringen, borgsommen en huurpenningen. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende feiten en bewijs had aangevoerd om zijn vorderingen te onderbouwen, waardoor niet aan de stelplicht was voldaan. Ook het aanhoudingsverzoek om de uitkomst van een lopende hoger beroepsprocedure af te wachten, werd afgewezen wegens strijd met de goede procesorde.
De rechtbank concludeerde dat eiser niet had toegelicht hoe het gevorderde bedrag was berekend en dat het niet aan de rechter is om zelf bewijs te zoeken. De vorderingen werden afgewezen en eiser werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van eiser af wegens onvoldoende onderbouwing en veroordeelt eiser in de proceskosten.