Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
De aandelen in [de BV] (f)
manvoert aan dat de rechtbank ten onrechte de aandelen in de bv heeft verdeeld. De aandelen in de bv hebben nimmer tot de huwelijksgemeenschap van partijen behoord. Na de eindbeschikking van de rechtbank van 10 december 2021 is gebleken dat de aandelen in de bv deel uitmaken van de onverdeelde nalatenschap van zijn in 2010 overleden moeder. De notaris heeft hem hier op gewezen. De notaris heeft aangegeven dat uit de archieven niet blijkt van een aandeelhoudersregister waarin de aandelen op naam van de man zijn gesteld. Ook de man beschikt niet over een dergelijk aandeelhoudersregister. Bij de Kamer van Koophandel staat de man alleen als bestuurder vermeld en niet als 100% aandeelhouder. Als de aandelen aan hem waren overgedragen, was dat laatste wel het geval. De man is voor 1/8e aandeel gerechtigd in de nalatenschap van zijn moeder. In het testament van de moeder van de man is voorts een uitsluitingsclausule opgenomen. Dit betekent dat dit 1/8e aandeel niet tot de huwelijksgemeenschap van partijen behoort. Het behoort tot het privévermogen van de man.
vrouwbehoren de aandelen wél tot de ontbonden huwelijksgemeenschap. Zij voert daartoe het volgende aan.
"De dierenwinkel is op zichzelf niet rendabel, maar de man heeft daarin gespaard, om daaruit bij pensionering een inkomen te hebben".
'De vader van de man runde een dierenspeciaalzaak. Na zijn overlijden eind 1994 heeft de man die dierenspeciaalzaak overgenomen"
hofoverweegt als volgt.
Uit de door u toegezonden stukken kan ik dit niet herleiden. De aandelen zijn destijds verkregen door uw ouders.
U heeft aangegeven dat de aandelen tijdens leven van moeder aan u zijn overgedragen (onderstreping hof).
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1.1betoogt in de kern dat het hof heeft verzuimd om dat oordeel (naar behoren) te motiveren.
Onderdeel 1.2stelt dat het oordeel dat de vrouw aan haar stelplicht heeft voldaan onbegrijpelijk is, omdat uit hetgeen waarvan het hof in rov. 5.3 expliciteert dat de vrouw aanvoert dat de aandelen tot de huwelijksgemeenschap zouden behoren, geen bevestiging kan volgen van het door de man in hoger beroep betwiste feit dat de aandelen tot die gemeenschap zouden behoren.
Onderdeel 2.1klaagt dat dit oordeel onbegrijpelijk is, omdat het hof daarvoor had moeten vaststellen welke concrete en relevante stellingen van de vrouw niet voldoende weersproken zouden zijn en waarom dat zo zou zijn.
Onderdeel 2.2klaagt dat onbegrijpelijk is dat het hof – ter motivering van zijn oordeel dat de man de stellingen van de vrouw onvoldoende heeft weersproken – uit de als productie T bij het verweerschrift van de man in incidenteel hoger beroep overgelegde e-mail van de notaris afleidt dat de aandelen ‘naar eigen zeggen van de man’ nog tijdens het leven van zijn moeder aan hem zouden zijn overgedragen en dat het hof het doet voorkomen alsof het hier niet slechts zou gaan om de mening van de man in eerste aanleg, doch tevens zijn standpunt in hoger beroep. Volgens het onderdeel denatureert het hof de e-mail van de notaris.
onderdeel 2.1dat het oordeel van het hof dat de man de stellingen van de vrouw niet voldoende gemotiveerd heeft weersproken, omdat het hof daarvoor had moeten vaststellen welke concrete en relevante stellingen van de vrouw niet voldoende weersproken zouden zijn en waarom dat zo zou zijn, faalt daarmee.
onderdeel 2.2terecht dat de zin ‘Naar eigen zeggen van de man zijn de aandelen dus nog tijdens leven van zijn moeder aan hem overgedragen’ in rov. 5.4 niet goed valt te begrijpen in het licht van de hierboven aangehaalde processtukken en in het bijzonder de e-mail van de notaris, waaruit het hof citeert. De stellingen in hoger beroep van de man kunnen immers niet anders worden uitgelegd dan dat hij aanvankelijk (tijdens de procedure in eerste aanleg) in de veronderstelling was dat de aandelen aan hem waren overgedragen tijdens leven van zijn moeder, maar dat hij zich door de e-mail van de notaris van 27 januari 2022 heeft gerealiseerd dat de aandelen
nietaan hem zijn overgedragen, maar tot de onverdeelde nalatenschap van zijn moeder behoren. Onderdeel 2.2 slaagt daarom.
a priorionevenwichtigheid in de machtsverhouding tussen partijen is echter géén voorwaarde voor het aannemen van een verzwaarde motiveringsplicht, zo blijkt het arrest van de Hoge Raad van 8 juli 2022 betreffende de nakoming van een overeenkomst van opdracht gesloten tussen twee professionele partijen. De Hoge Raad heeft hierin overwogen (voetnoot weggelaten, A-G):
hadden moetenbevinden, zo blijkt uit HR 19 februari 2016 over de beroepsaansprakelijkheid van een notaris. De Hoge Raad heeft hierin overwogen:
Onderdelen 2.3.1-2.3.3en
onderdeel 2.4richten klachten tegen deze motivering.
hadden kunnenbevinden, zoals het aandeelhoudersregister. Voor zover het hof anders heeft geoordeeld, heeft het mijns inziens te strenge eisen gesteld aan de motiveringsplicht van de man in het kader van zijn betwisting. Het onderdeel slaagt daarom.