ECLI:NL:RBDHA:2025:19247
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing bewaring wegens onvoldoende voortvarendheid in terugkeerprocedure naar Marokko
Eiser is op 18 juli 2025 in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet 2000 met het oog op zijn uitzetting naar Marokko. De rechtbank beoordeelt in deze procedure de rechtmatigheid van het voortduren van de bewaring sinds 5 augustus 2025. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt bij de uitzetting, met name vanwege vertraging bij het afnemen van nieuwe vingerafdrukken (dacty) na een verzoek van de Marokkaanse autoriteiten.
Verweerder voert aan dat er voldoende voortvarendheid is betracht, onder meer door het houden van vertrekgesprekken, het doen van rappels bij de Marokkaanse autoriteiten en het opstarten van aanvullend identiteitsonderzoek. De rechtbank erkent dat verweerder diverse noodzakelijke handelingen heeft verricht, maar oordeelt dat het tijdsverloop tussen de melding van de onvoldoende kwaliteit van de dacty op 10 september 2025 en het afnemen van nieuwe dacty pas op 19 september 2025 onvoldoende is gemotiveerd en onrechtmatig is.
De rechtbank stelt vast dat eiser onvoldoende meewerkt aan zijn terugkeer, maar benadrukt dat dit de verplichting van verweerder om voortvarend te handelen niet vermindert. Gelet op het tijdsverloop en het ontbreken van een deugdelijke verklaring wordt de bewaring opgeheven en wordt onmiddellijke invrijheidstelling gelast. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €3.900 en proceskosten van €907.
De uitspraak is gedaan door rechter S. van Lokven en griffier K.M.R.L. Kamp op 21 oktober 2025. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: De bewaring wordt opgeheven wegens onvoldoende voortvarendheid van verweerder en eiser wordt onmiddellijk in vrijheid gesteld met toekenning van schadevergoeding.