Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 oktober 2025 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
de burgemeester van Den Haag, verweerder
Procesverloop
.
Rechtbank Den Haag
De burgemeester van Den Haag heeft de woning van verzoeker voor drie maanden gesloten na vondst van circa 600 liter chemicaliën geschikt voor cocaïneproductie en 46 MDMA-pillen in de woning. Verzoeker betwistte de noodzaak en evenwichtigheid van de sluiting en vroeg om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de aanwezigheid van een cocaïnewasserij en handelshoeveelheden drugs een direct gevaar voor de omgeving vormt en dat de woning vermoedelijk een schakel was in drugshandel. Gezien het advies van de politie en het belang van openbare orde was de sluiting noodzakelijk en proportioneel.
Verzoeker werd verantwoordelijk gehouden voor het gebruik van zijn woning, ondanks dat hij zelf niet direct bij de productie betrokken was. Zijn persoonlijke omstandigheden en het ontbreken van bewijs voor onmogelijkheid tot alternatieve huisvesting wogen niet zwaar genoeg om de sluiting onevenwichtig te achten.
De voorlopige voorziening werd daarom afgewezen. De uitspraak is bindend voor het eventuele bodemgeding en er is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van de woning wordt afgewezen.