ECLI:NL:RBDHA:2025:19501

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 augustus 2025
Publicatiedatum
24 oktober 2025
Zaaknummer
NL25.28201 en NL25.28202
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30b VwArt. 8:72 AwbVerordening EU/604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens onzorgvuldige motivering en toetsingsfouten

Eiser, een Iraanse asielzoeker, diende op 23 april 2023 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. De minister wees deze aanvraag op 18 juni 2025 af als kennelijk ongegrond. Eiser voerde beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening. De rechtbank behandelde de zaak op 7 augustus 2025.

De rechtbank oordeelt dat de minister ten onrechte aan eiser heeft tegengeworpen dat hij geen originele documenten kon overleggen, terwijl eiser aannemelijk heeft gemaakt dat toegang tot deze documenten door de revolutionaire rechtbanken in Iran wordt belemmerd. Ook is het standpunt van de minister dat eiser wisselend zou hebben verklaard over bedreigingen en aangiftes onvoldoende gemotiveerd en onjuist.

Verder heeft de minister een onjuist toetsingskader gehanteerd bij de beoordeling van de afvalligheid en politieke overtuiging van eiser. De minister mag niet verlangen dat eiser zich terughoudend opstelt bij de uitoefening van zijn geloofwaardig geachte afvalligheid en had moeten onderzoeken hoe eiser deze na terugkeer wil uiten. Ook ten aanzien van de politieke overtuiging heeft de minister onvoldoende onderzocht welke activiteiten eiser zal ontplooien en onterecht van eiser verlangd zijn Instagramaccount te verwijderen.

Ten slotte heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat de late aanmelding van eiser afbreuk doet aan de noodzaak van zijn asielaanvraag. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen en eiser krijgt een proceskostenvergoeding van €2.721,-.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de minister moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.28201 (beroep)
NL25.28202 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen [eiser], geboren op [geboortedatum] 1980, van Iraanse nationaliteit,
eiser en verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. M. Taheri)
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister) (gemachtigde: mr. E.M.J.M. de Bonth).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiser is het niet eens met de afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank in deze uitspraak de afwijzing van eisers asielaanvraag. Ook beoordeelt de voorzieningenrechter in deze uitspraak eisers verzoek om een voorlopige voorziening, ertoe strekkende dat hij de behandeling van zijn beroep in Nederland mag afwachten.
1.1.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is en dat het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Eiser krijgt dus gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 staat het asielrelaas. Onder 4 staat het bestreden besluit. Vanaf 5 volgt de beoordeling door de rechtbank. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 23 april 2023 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 18 juni 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en verzocht om een voorlopige voorziening.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 7 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Abdi als tolk in de taal Farsi en de gemachtigde van de minister.
2.3.
Na de zitting heeft de rechtbank eiser desgevraagd in de gelegenheid gesteld een aanvullende vertaling van een stuk te overleggen. De rechtbank heeft eiser hiervoor een termijn van twee weken gegeven. Eiser heeft hier geen gebruik van gemaakt. De rechtbank heeft na het verstrijken van de termijn het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is in Iran in conflict gekomen met een neef van zijn vader, [naam]. [naam] wilde dat eiser een door eiser geërfd stuk grond met hem zou delen. Eiser weigerde dit. [naam] heeft hem daarop bedreigd en zijn invloed binnen de overheid gebruikt om agenten naar het huis van eiser en zijn vader te sturen. Die agenten hebben eisers kamer doorzocht en zijn laptop en notitieblokken meegenomen, waarin eiser zijn kritiek op de islam en religie in het algemeen had opgeschreven. Eiser was op dat moment niet thuis, maar zijn vader wel. De agenten hebben tegen de vader van eiser gezegd dat eiser zich moest melden op het politiebureau. Eiser is daarop ondergedoken bij een vriend en daarna met een Italiaans visum naar Nederland gereisd. In Nederland heeft eiser zes maanden gewacht voordat hij zich bij de IND1 meldde, om te voorkomen dat hij zou worden overgedragen aan Italië op grond van de Dublinverordening2. Eiser heeft verder verklaard dat hij in 2009/2010, in 2017/2018 en in 2019/2020 heeft deelgenomen aan demonstraties in Iran en dat hij sinds 2021 politiek getinte berichten op zijn openbare Instagramprofiel plaatst. In 2022 heeft hij in Nederland meegedaan aan een demonstratie naar aanleiding van de dood van [de persoon]. Een broer van [naam] die in Nederland woont heeft op sociale media gezien dat eiser aanwezig was bij die demonstratie. Hij heeft dit doorgestuurd naar [naam]. [naam] heeft daarop gezegd dat de overheid heel veel documenten tegen eiser heeft, dat eiser heeft deelgenomen aan demonstraties en dat hij niet meer terug kan komen naar Iran. Eiser vreest dat [naam] zijn invloed heeft aangewend om eiser onder de aandacht van de autoriteiten te brengen en dat hij bij terugkeer geëxecuteerd zal worden vanwege zijn afvalligheid. [naam] heeft namelijk al eerder een valse aangifte gedaan tegen hem en zijn vader, wat ertoe heeft geleid dat er beslag is gelegd op eisers rekening.
3.1.
Eiser heeft ter onderbouwing van zijn relaas een kopie overgelegd van een
[vonnis](Iraanse erfverdelingsakte), een kopie van een Iraans rechtbankvonnis waarmee beslag is gelegd op zijn bankrekening, en een kopie van een aangifte die [naam] tegen eiser en zijn vader heeft gedaan en een tegenaangifte van eiser en zijn vader tegen [naam]. Voorafgaand aan de zitting (dus nadat het bestreden besluit is genomen) heeft eiser vertalingen overgelegd van de
[vonnis], een deel van het Iraanse rechtbankvonnis en
1. Immigratie- en Naturalisatiedienst.
2 Verordening EU/604/2013.
een deel van de (tegen)aangifte. Ook heeft eiser vertalingen overgelegd van (kopieën van) aktes waarmee stukken grond op zijn naam zijn gezet.
Bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. problemen vanwege conflict met [naam];
3. afvalligheid en daarmee samenhangende problemen;
4. deelname demonstratie en daarmee samenhangende problemen.
4.1.
De minister heeft asielmotief 1 (identiteit, nationaliteit en herkomst) geloofwaardig geacht. De minister heeft asielmotief 2 (problemen vanwege conflict met [naam]) niet geloofwaardig geacht en dit als volgt gemotiveerd.
Eiser heeft geen originele documenten overgelegd om dit asielmotief te onderbouwen. De kopieën die eiser heeft overgelegd kunnen niet op echtheid worden onderzocht. De minister volgt eiser niet in zijn stelling dat hij geen originele stukken kan overleggen, omdat zijn vader de originele stukken nodig heeft voor een juridische procedure in Iran over de grond. De grond is namelijk al op eisers naam gezet voordat hij Iran verliet. De kopieën tonen daarnaast de gestelde problemen met [naam] niet aan. Uit de
[vonnis]volgt niet sluitend dat eiser en [naam] familie van elkaar zijn. Zelfs als er een familieband zou worden aangenomen, volgt uit de
[vonnis]niet dat eiser een conflict heeft met [naam]. Uit het vonnis waarin de blokkade van eisers bankrekening is uitgesproken volgt niet waarom zijn bankrekening geblokkeerd is, laat staan dat [naam] hierbij betrokken zou zijn geweest. De (tegen)aangifte is niet afkomstig van een onafhankelijke, verifieerbare bron en de uitkomst daarvan is daarnaast nog niet bekend. Eiser heeft met deze kopieën niet aannemelijk gemaakt dat er een huisinval is geweest en dat [naam] hierachter zou zitten. Eisers verklaringen dat [naam] achter de huisinval zit zijn vooral gebaseerd op zijn eigen aannames. Eiser heeft bovendien wisselend en zonder overtuiging verklaard over het conflict met [naam]. Eiser heeft namelijk tijdens het gehoor enerzijds verklaard dat [naam] hem meerdere keren heeft bedreigd en meerdere aangiftes tegen hem heeft ingediend, maar anderzijds dat [naam] hem maar één keer heeft bedreigd en maar één concrete aangifte tegen hem heeft ingediend.
4.2.
De minister heeft asielmotief 3 (afvalligheid en daarmee samenhangende problemen) deels geloofwaardig geacht. De minister heeft eisers afvalligheid geloofwaardig geacht, maar de daarmee samenhangende problemen niet. De minister heeft dit als volgt gemotiveerd.
Eiser kan niet met zekerheid stellen dat [naam] hem heeft aangegeven bij de autoriteiten. Eisers vrees dat de autoriteiten op de hoogte zijn van zijn afvalligheid is daarom op zijn eigen aannames gebaseerd. Eiser stelt dat hij bij terugkeer zal worden ondervraagd door de Iraanse autoriteiten en dat hij een verklaring zal moeten ondertekenen waarin hij verklaart moslim te zijn, maar uit de landeninformatie blijkt dat niet iedere Iraanse burger wordt ondervraagd door de autoriteiten. Er is dus onvoldoende grond om te concluderen dat eiser in Iran zal worden vervolgd. Daarnaast mag van eiser terughoudendheid verlangd worden
met betrekking tot zijn afvalligheid bij een mogelijke ondervraging op het vliegveld, nu hij in Iran zijn afvalligheid nooit actief heeft uitgedragen.
4.3.
De minister heeft asielmotief 4 (deelname demonstratie en daarmee samenhangende problemen) deels geloofwaardig geacht. De minister heeft eisers deelname aan een demonstratie geloofwaardig geacht, maar de daarmee samenhangende problemen niet. De minister heeft dit als volgt gemotiveerd.
Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn van eisers politieke overtuiging en dat hij hierdoor bij terugkeer in de problemen zal komen. In het verleden heeft eiser immers nooit problemen gehad met de Iraanse autoriteiten vanwege zijn politieke activiteiten en zijn uitlatingen op Instagram. Ook ten aanzien van de foto waarop eiser te zien is bij een demonstratie in Nederland heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat deze op de radar van de Iraanse autoriteiten is gekomen. De minister heeft verder aangenomen dat eiser een politieke overtuiging heeft, maar heeft zich op het standpunt gesteld dat deze niet zo sterk is als eiser stelt. Eisers politieke overtuiging is in ieder geval geen onderdeel van zijn (spirituele) identiteit. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat zijn politieke overtuiging, zoals hij zelf stelt, sterker is geworden door de huidige spanningen in Iran. Er mag daarom van eiser verwacht worden dat hij zich niet anders zal uiten op sociale media dan hij voorheen probleemloos deed in Iran en dat hij zijn Instagramaccount verwijdert als dat nodig is.
4.4.
Tot slot heeft de minister het eiser ernstig aangerekend dat hij zich niet direct na binnenkomst in Nederland bij de IND heeft gemeld, maar eerst zes maanden heeft gewacht om overdracht aan Italië op grond van de Dublinverordening te voorkomen. Dit is geen verschoonbare reden om te wachten met het indienen van een aanvraag. Daarnaast doet dit volgens de minister afbreuk aan de noodzaak van eisers aanvraag voor internationale bescherming. De minister heeft daarom eisers aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder h, van de Vw 20003.
Mocht de minister aan eiser tegenwerpen dat hij geen originele documenten heeft overgelegd?
5. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte aan hem tegenwerpt dat hij geen documenten heeft overgelegd waaruit blijkt dat er een huisinval heeft plaatsgevonden en dat [naam] hierbij betrokken is. Dit soort machtsmisbruik gebeurt in Iran vaak op informele wijze, zonder officiële verslaglegging. Er kan daarom niet van eiser worden verwacht dat hij hier schriftelijk bewijs van aanlevert. Als er al officiële documentatie bestaat van de huisinval, heeft eiser hier bovendien geen toegang toe. Deze documentatie zou zich dan namelijk bevinden bij een van de zogenoemde revolutionaire rechtbanken, die de jurisdictie hebben over alle zaken die te maken hebben met afvalligheid. Deze revolutionaire rechtbanken bieden geen mogelijkheid aan betrokkenen om stukken over hun proces in te zien. Eiser wijst in dit kader op het algemeen ambtsbericht. Eiser stelt zich daarom op het standpunt dat hij niet meer kon aanleveren dan hij heeft aangeleverd, en dat hij met de door hem aangeleverde stukken zijn asielrelaas voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Eiser herhaalt zijn stelling dat hij geen originele stukken heeft kunnen meenemen naar Nederland, omdat
3 Vreemdelingenwet 2000.
zijn vader deze stukken nodig had en nog steeds heeft voor een juridische procedure over de grond in Iran.
5.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Tijdens zijn gehoor heeft eiser verklaard dat de agenten bij de huisinval een huiszoekingsbevel aan zijn vader hebben getoond.4 Op de zitting heeft eiser desgevraagd toegelicht dat de agenten dit document niet aan zijn vader hebben afgegeven, zodat hij dit niet kan overleggen. De rechtbank overweegt voorts dat uit het Algemeen Ambtsbericht Iran van september 2023 (hierna: het algemeen ambtsbericht) volgt dat Iran inderdaad revolutionaire rechtbanken heeft die de jurisdictie hebben over aanklachten op grond van ‘vijandschap tegen God’.5 Een verdachte bij de revolutionaire rechtbank kan doorgaans geen inzage in stukken krijgen uit het strafdossier.6 De revolutionaire rechtbanken maken verder niet in alle gevallen gebruik van het Sana-systeem7 en advocaten klagen over steeds verder afnemende toegang tot hun cliënten en de dossierstukken in een zaak.8 Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de minister ten onrechte aan eiser heeft tegengeworpen dat hij geen documenten heeft overgelegd ter onderbouwing van de huisinval en [naam] betrokkenheid daarbij.
5.2.
De rechtbank overweegt voorts dat (de kopieën van) de documenten die eiser heeft overgelegd in een aantal opzichten onderbouwen dat hij een conflict heeft met [naam] over een stuk grond. Uit de
[vonnis]blijkt dat er grond is verdeeld door middel van vererving en dat eiser en [naam] daarbij betrokken zijn geweest als (mogelijke) erfgenamen. Uit de eigendomsaktes blijkt dat delen van dit land ook daadwerkelijk in eigendom van eiser zijn gekomen. Uit de rechterlijke uitspraak op de (tegen)aangifte volgt voorts dat er een juridisch conflict bestaat tussen eiser en [naam], waarin zij elkaar over en weer hebben beticht van oplichting en valsheid in geschrifte. De rechtbank volgt de minister niet in zijn standpunt dat het niet aannemelijk is dat de originele stukken nog nodig zijn in een juridische procedure, omdat de grond al op eisers naam is gezet voordat hij Iran heeft verlaten. Ook nadat iemand het eigendomsrecht heeft verworven over een stuk grond, kunnen er immers nog juridische procedures aangespannen worden over de legitimiteit van dat eigendomsrecht.
5.3.
Deze beroepsgrond slaagt. Het bestreden besluit is onzorgvuldig voorbereid en gebrekkig gemotiveerd.
5.4.
De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. In het kader van een finale geschilbeslechting ziet de rechtbank aanleiding ook in te gaan op de navolgende beroepsgronden.
Heeft de minister de verklaringen van eiser op goede gronden wisselend geacht?
6. Eiser voert verder aan dat de minister zijn verklaringen over de bedreiging door en de aangifte van [naam] ten onrechte wisselend heeft geacht. Wat betreft de bedreigingen voert eiser aan dat [naam] eerst heeft geprobeerd eiser te overtuigen en hem daarna een paar
4 Pagina 26 van het nader gehoor.
5 Pagina 7 van het algemeen ambtsbericht.
6 Pagina 98 van het algemeen ambtsbericht.
7 Het Sana-systeem is de elektronische juridische gegevensbank van de rechterlijke macht die dient voor de registratie en opvolging van zaken; zie pagina 97 van het algemeen ambtsbericht.
8 Pagina 97 van het algemeen ambtsbericht.
maanden voor zijn vertrek heeft bedreigd. Daarna heeft eiser hem niet meer gesproken, maar heeft [naam] zijn vader nog verschillende keren bedreigd. Wat betreft zijn verklaringen over de aangifte voert eiser aan dat hij tijdens het gehoor het woord
shekayatheeft gebruikt. Dit woord heeft in het Farsi meerdere betekenissen en kan zowel ‘aangifte’ als ‘procedure’ of ‘dagvaarding’ betekenen. Eiser heeft hiermee dus willen aangeven dat er meerdere juridische procedures speelden. Eiser heeft dit in zijn zienswijze ook toegelicht.
6.1.
De rechtbank overweegt als volgt. In het bestreden besluit lijkt de minister eiser niet meer tegen te werpen dat hij wisselend heeft verklaard over de bedreigingen door [naam]:
“Begrepen kan worden dat het zou kunnen gaan om verschillende momenten naast elkaar. Er wordt in het voornemen niet gesproken over tegenstrijdigheden. Het gaat erom dat u niet aannemelijk hebt gemaakt dat [naam] achter de huisinval zit.”9
Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van de minister bevestigd dat alleen nog aan eiser wordt tegengeworpen dat hij wisselend heeft verklaard over de aangiftes. De gemachtigde van de minister heeft op zitting herhaald dat de minister eiser niet volgt in zijn verklaringen over het woord
shekayat. De minister ziet namelijk niet in waarom eiser pas in de zienswijze en niet eerder in de correcties en aanvullingen de betekenis van dit woord heeft gecorrigeerd. De minister heeft dit ook in het bestreden besluit uitgelegd.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende gemotiveerd aan eiser tegenwerpt dat hij wisselend heeft verklaard over de aangifte van [naam]. Eiser heeft zich zowel in zijn zienswijze als op de zitting op het standpunt gesteld dat sprake is van een spraakverwarring en heeft daarbij een plausibele verklaring gegeven voor hoe deze spraakverwarring is ontstaan. Op de zitting heeft eiser hieraan toegevoegd dat hij dit niet eerder in de correcties en aanvullingen heeft aangekaart omdat de vertaling van
shekayatnaar ‘aangifte’ in beginsel klopte. Pas in het voornemen werd het eiser duidelijk dat de minister deze verklaringen wisselend achtte. Daarom is hij pas in de zienswijze ingegaan op de meervoudige betekenis van
shekayat. De rechtbank volgt deze uitleg van eiser en is daarmee van oordeel dat de minister niet aan eiser kan tegenwerpen dat hij de vertaling van
shekayateerder had moeten corrigeren.
6.3.
Deze beroepsgrond slaagt.
Heeft de minister de afvalligheid (en de daaruit voortkomende problemen) aan de hand van het juiste kader getoetst?
7. Eiser voert aan dat hij door zijn afvalligheid te vrezen heeft voor vervolging en een reëel risico loopt op ernstige schade. [naam] heeft de Iraanse autoriteiten namelijk op de hoogte gebracht van eisers afvalligheid. Tijdens de huisinval zijn daarnaast notitieboekjes van eiser gevonden waarin hij zijn kritische gedachten over de islam heeft opgeschreven. Eiser heeft daarnaast in Iran uiting gegeven aan zijn afvalligheid op zijn Instagramaccount.
7.1.
De rechtbank overweegt dat de minister de afvalligheid aanneemt. De minister heeft zich echter op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Iraanse autoriteiten weten van zijn afvalligheid. De minister volgt niet dat er een huisinval is
9 Pagina 4 van het bestreden besluit.
geweest of dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn gebracht door [naam] van eisers afvalligheid. Eiser baseert zich bij dat laatste ook enkel op zijn eigen vermoedens. Eiser heeft namelijk geen originele documenten overgelegd waar dit uit blijkt.
7.2.
De rechtbank is onder 5.1 en 5.2 tot het oordeel gekomen dat de minister niet aan eiser mag tegenwerpen dat hij geen originele documenten heeft overgelegd over de huisinval en van het arrestatiebevel dat tegen hem uitgevaardigd zou zijn. De rechtbank is voorts onder 6.2 tot het oordeel gekomen dat de minister ten onrechte aan eiser heeft tegengeworpen dat hij wisselend heeft verklaard over de aangifte door [naam]. De minister zal in het nieuw te nemen besluit deze elementen opnieuw moeten beoordelen. Deze nieuwe beoordeling kan van invloed zijn op het standpunt van de minister over de geloofwaardigheid van eisers asielrelaas en daarmee de vraag of de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn van eisers afvalligheid. In het nieuw te nemen besluit zal de minister zich daarom ook hierover opnieuw moeten uitlaten.
7.3.
De minister zal zich in het nieuw te nemen besluit ook moeten uitlaten over de zwaarwegendheid van eisers afvalligheid. De rechtbank geeft hierin alvast het volgende mee aan de minister. In het bestreden besluit heeft de minister het volgende standpunt over de zwaarwegendheid van eisers afvalligheid ingenomen:
“In uw geval is geoordeeld dat u uw afvalligheid niet actief hebt uitgedragen. Ten eerste blijkt uit de landeninformatie niet dat iedere Iraanse burger wordt ondervraagd door de autoriteiten. Uw enkele terugkeer is dus zeer onvoldoende om te concluderen dat u zal worden vervolgd. Ten tweede mag van u terughoudendheid verwacht worden met betrekking tot uw afvalligheid bij een mogelijke ondervraging op het vliegveld bij terugkeer.
Er is geen aanwijzing dat dit voor het behoud van uw religieuze identiteit van
belang is. U hebt uw afvalligheid in uw land van herkomst terughoudend of niet actief geuit. Hierbij is van belang dat niet elke inperking van uw godsdienstvrijheid neerkomt op vervolging die recht geeft op een vluchtelingenstatus. Er is pas sprake van vervolging als een handeling herhaaldelijk of in die mate ernstig voorkomt, dat zij een schending van de mensenrechten inhoudt. Het enkel ondertekenen van een binnenkomstformulier waarin u verklaart moslim te zijn, is daarvoor onvoldoende.”10
7.4.
De rechtbank overweegt dat de Afdeling11 in haar uitspraak van 19 januari 202212 heeft geoordeeld dat de minister bij een geloofwaardig geachte afvalligheid moet onderzoeken en beoordelen of, en zo ja hoe, een vreemdeling na terugkeer naar zijn land van herkomst uiting wil geven aan zijn afvalligheid. De minister mag van een vreemdeling niet verlangen dat hij zich, om vervolging te voorkomen, terughoudend zal opstellen bij de uitoefening van zijn geloofwaardig geachte afvalligheid in het land van herkomst. De rechtbank overweegt voorts dat uit het algemeen ambtsbericht inderdaad volgt dat niet iedere Iraanse burger wordt ondervraagd bij terugkeer,13 maar uit datzelfde ambtsbericht volgt ook dat het risico dat iemand bij aankomst wordt ondervraagd groot is als diegene lang in het buitenland heeft verbleven.14 De minister dient daar in het nieuw te nemen besluit vanuit te gaan.
10 Pagina 8 van het bestreden besluit.
11 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
13 Pagina 115 van het algemeen ambtsbericht.
14 Pagina 116 van het algemeen ambtsbericht.
7.5.
De rechtbank overweegt voorts dat de minister niet kan stellen dat van eiser terughoudendheid verwacht mag worden bij terugkeer. De minister moet onderzoeken hoe eiser na terugkeer in Iran uiting wil geven aan zijn afvalligheid en vervolgens beoordelen of dit een grond oplevert voor het verlenen van een asielvergunning (de zwaarwegendheidstoets). Dit heeft de minister niet gedaan. De minister heeft in het bestreden besluit slechts betrokken hoe eiser in het verleden zijn afvalligheid in Iran heeft geuit, maar niet hoe eiser dat bij terugkeer wil doen. Dit zal de minister alsnog moeten doen in het nieuw te nemen besluit. De minister zal daarbij moeten betrekken dat eiser op de zitting heeft verklaard dat hij op zijn Instagram veel kritische berichten over religie heeft geplaatst, dat hij dit wil blijven doen en dat hij nog actiever met mensen in gesprek wil gaan over de islam.
7.6.
Tot slot hecht de rechtbank eraan op te merken dat zij de minister niet kan volgen in het standpunt dat van eiser verwacht mag worden dat hij bij ondervraging op het vliegveld liegt over zijn geloof, omdat niet elke inperking van de godsdienstvrijheid neerkomt op vervolging die recht geeft op een vluchtelingenstatus. Anders dan de minister stelt gaat het in dit geval niet om een te dulden inperking van de godsdienstvrijheid maar om het actief moeten liegen over de eigen (religieuze) identiteit. Dat zijn twee verschillende dingen.
Heeft de minister eisers politieke overtuiging aan de hand van het juiste kader getoetst?
8. Eiser voert aan dat hij ook door zijn deelname aan een demonstratie en zijn politieke overtuiging te vrezen heeft voor vervolging en een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser heeft berichten op zijn sociale media geplaatst waarin hij zich kritisch heeft uitgelaten over het Iraanse regime. Zijn profiel is openbaar en hij is herkenbaar bij naam en op foto's op zijn profiel. Eiser heeft in Iran eerder deelgenomen aan demonstaties. Ook is er een foto van eiser bij een demonstratie in Nederland op Instagram te vinden. Het Iraanse regime monitort activisten en gebruikt daarbij gezichtsherkenningstechnologie. Bovendien zal eiser zich bij terugkeer naar Iran nog actiever opstellen, omdat hij naar zijn gevoel niets meer te verliezen heeft en alleen nog maar het Iraanse regime omver wil werpen.
8.1.
De rechtbank overweegt dat het Hof15 in het arrest S en A16 heeft geoordeeld dat ‘politieke overtuiging’ breed moet worden opgevat en dat de minister niet mag eisen dat sprake is van een ‘fundamentele’ politieke overtuiging. De rechtbank overweegt daarnaast dat de Afdeling in haar uitspraak van 17 januari 202417 heeft geoordeeld dat de minister bij beoordeling van de zwaarwegendheid de sterkte van de politieke overtuiging en de mate waarin deze overtuiging door de vreemdeling wordt geuit of eventueel zal worden
geuit moet betrekken.
8.2.
De rechtbank overweegt dat de minister zich in het bestreden besluit op het volgende standpunt heeft gesteld:
“Reeds is in het voornemen overwogen dat u een politieke overtuiging hebt. Nu
15 Hof van Justitie van de Europese Unie.
16 Arrest van het Hof van 21 september 2023, zaaknummer C-151/22.
uw berichten op Instagram enkel bestaan uit het delen van andermans berichten, en u dit bovendien niet regelmatig doet wordt het uiten van uw afvalligheid en uw politieke overtuiging op sociale media niet gezien als onderdeel van uw (spirituele) identiteit. Uw politieke overtuiging is dus niet dermate sterk als dat u zelf stelt. Van u mag daarom verwacht worden dat u deze van uw account verwijdert wanneer dat nodig is. Bovendien mag van u verwacht worden dat u zich bij terugkeer naar Iran niet anders uit op sociale media dan u voor uw vertrek uit Iran gedaan hebt en waardoor u niet in de problemen gekomen bent.”18
8.3.
Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, begrijpt de rechtbank niet wat de minister bedoelt met ‘spirituele identiteit’ of waar die maatstaf vandaan komt. De rechtbank overweegt dat de minister zich hiermee op het standpunt lijkt te stellen dat eisers politieke overtuiging niet fundamenteel is, wat indruist tegen het arrest S en A. De gemachtigde van de minister heeft op de zitting erkend dat dit onhandig is geformuleerd en betoogd dat de minister hiermee heeft bedoeld te zeggen dat hij geen politieke overtuiging bij eiser aanneemt. De rechtbank overweegt dat dit niet aansluit op het bestreden besluit, waarin de minister expliciet
weleen politieke overtuiging bij eiser aanneemt.19 De rechtbank volgt deze toelichting van de gemachtigde van de minister daarom niet.
8.4.
De rechtbank komt tot de conclusie dat de minister een verkeerd toetsingskader heeft gehanteerd. De minister heeft namelijk aangenomen dat eiser een politieke overtuiging heeft, maar vervolgens bij de zwaarwegendheidstoets niet betrokken in welke mate eiser zijn politieke overtuiging bij terugkeer zal uiten. De minister heeft alleen gekeken naar hoe eiser zijn politieke overtuiging in het verleden heeft geuit en geconcludeerd dat hij daar geen problemen door heeft ondervonden. In het nieuw te nemen besluit zal de minister, in het kader van de zwaarwegendheidstoets, daarom ook moeten betrekken welke politieke activiteiten eiser in Iran zal verrichten en daarbij moeten ingaan op wat eiser hierover op zitting heeft verklaard. De rechtbank geeft in dat kader eveneens mee dat de minister niet, zoals hij in het bestreden besluit wel heeft gedaan, van eiser mag verwachten dat hij zijn Instagramaccount verwijderd.
Mocht de minister zich op het standpunt stellen dat eisers late aanmelding afbreuk doet aan de noodzaak van zijn asielaanvraag?
9. Eiser voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat zijn late aanmelding afbreuk doet aan de noodzaak van zijn asielaanvraag. Eiser heeft zich later aangemeld om de Dublinprocedure te ontlopen omdat hij bij zijn broer in Nederland wilde zijn. De reisagent die zijn visum voor Italië had geregeld had hem gewaarschuwd voor de Dublinprocedure en hem geïnstrueerd om na aankomst in Nederland zes maanden te wachten. De minister had deze omstandigheden moeten meewegen.
9.1.
De rechtbank overweegt dat zij al tot het oordeel is gekomen dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven en dat de minister opnieuw zal moeten beslissen op de asielaanvraag van eiser. De minister zal daarbij ook een nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling moeten maken.
18 Pagina 7 van het bestreden besluit.
19 Pagina 7 van het bestreden besluit.
9.2.
De minister mag in beginsel een asielaanvraag kennelijk ongegrond verklaren als een vreemdeling zich zonder gegronde reden niet zo snel als mogelijk bij de IND heeft gemeld om zijn asielaanvraag in te dienen. Ten aanzien van de invulling van ‘zonder gegronde reden’, geldt dat de minister dient te motiveren wanneer daarvan sprake is. Ook moet de minister motiveren in hoeverre de omstandigheid dat een vreemdeling zich niet zo spoedig als mogelijk heeft gemeld, van invloed is op de geloofwaardigheid van het asielrelaas.20
9.3.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de omstandigheid dat eiser zes maanden heeft gewacht, afbreuk doet aan de noodzaak van zijn asielaanvraag. Eiser heeft verklaard dat hij zes maanden heeft gewacht omdat hij bij zijn broer in Nederland wilde zijn en de reisagent hem had geïnstrueerd te wachten. De rechtbank kan deze verklaring van eiser volgen. De rechtbank begrijpt dat de minister dit geen gegronde reden vindt om te wachten met het doen van een asielaanvraag, maar volgt niet dat op grond hiervan ook vraagtekens geplaatst moeten worden bij de acute noodzaak van eisers asielaanvraag. Toen eiser zijn broer in Nederland had bereikt was hij immers veilig voor de door hem gestelde problemen in Iran. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ziet de rechtbank niet in hoe eisers wachten opgevat moet worden als een bewijs van gebrek aan acute noodzaak voor internationale bescherming.
9.4.
Deze beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

10. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongeloofwaardig en onvoldoende zwaarwegend. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over eisers asielaanvraag te nemen. Dit omdat het in de eerste plaats aan de minister is om dit te doen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
10.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
10.2.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt deze vergoeding aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.721,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
10.3.
Nu met deze uitspraak op het beroep van eiser is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor de door eiser gevraagde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek hiertoe dan ook af.
20 Zie ‘Art. 30b Vreemdelingenwet 2000’, Sdu Commentaar Nederlands migratierecht (online).

Beslissing

De voorzieningenrechter, in de zaak NL25.28202:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
De rechtbank, in de zaak NL25.28201:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 18 juni 2025;
  • draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak.
De rechtbank, in beide zaken:
- bepaalt dat de minister de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.721,- moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Hollander, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
25 augustus 2025

Documentcode: DSR52672123

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.