Uitspraak
Datum uitspraak: 17 januari 2024
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
voorzitter
griffier
Raad van State
De vreemdeling uit Soedan verzocht om internationale bescherming op grond van haar politieke overtuiging, omdat zij vreest vervolgd te worden bij terugkeer vanwege haar activiteiten voor de Umma Partij en de Darfur Vereniging Nederland. De staatssecretaris wees haar aanvraag af, stellende dat zij geen fundamentele politieke overtuiging had aangetoond en onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij in negatieve belangstelling stond van Soedanese autoriteiten.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in hoger beroep het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie betrokken, waarin een ruime uitleg wordt gegeven aan het begrip politieke overtuiging als vervolgingsgrond. Het arrest stelt dat ook een politieke mening of gedachte die nog niet tot negatieve aandacht van autoriteiten heeft geleid, onder deze grond kan vallen.
De Afdeling oordeelt dat het huidige beleid van de staatssecretaris, dat een fundamentele politieke overtuiging vereist, niet in lijn is met het arrest van het Hof. De staatssecretaris heeft onvoldoende inzicht gegeven in de wijze waarop zij de politieke overtuiging en de daaruit voortvloeiende vrees voor vervolging beoordeelt. De Afdeling bevestigt het oordeel van de rechtbank dat het besluit niet zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd.
Het hoger beroep van de staatssecretaris en het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling worden ongegrond verklaard. De Afdeling bevestigt het vernietigende vonnis van de rechtbank en beveelt de staatssecretaris een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met de meest recente landeninformatie. Tevens wordt de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het besluit van de staatssecretaris wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor een nieuw besluit, met vergoeding van proceskosten aan de vreemdeling.