ECLI:NL:RBDHA:2025:19531
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsdocument EU/EER wegens onvoldoende onderbouwing duurzame relatie en gezamenlijke huishouding
Eiser diende een aanvraag in voor een verblijfsdocument EU/EER vanwege verblijf bij zijn Griekse partner. De minister wees de aanvraag af omdat niet was aangetoond dat zij een duurzame relatie onderhouden en een gezamenlijke huishouding voeren. Eiser voerde aan dat hij ten onrechte niet is gehoord in de bezwaarprocedure en dat hij voldoende bewijs had geleverd van hun relatie.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft afgezien van het horen in bezwaar omdat eiser onvoldoende nadere onderbouwing heeft gegeven en het bezwaar feitelijk een herhaling was van eerdere stukken. De minister had duidelijk gemaakt welke bewijsstukken nodig waren en de bewijslast ligt bij eiser.
Hoewel eiser diverse documenten overlegde, waaronder een huurovereenkomst, samenlevingscontract, gezamenlijke rekening, foto’s en communicatie, vond de minister deze onvoldoende onderbouwing. De rechtbank stelt dat de minister deze stukken gemotiveerd heeft beoordeeld en dat eiser onvoldoende heeft toegelicht waarom de minister deze stukken anders had moeten waarderen.
De rechtbank wijst het beroep af en verklaart dat de afwijzing van de aanvraag in stand blijft. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Eiser kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsdocument blijft in stand.