ECLI:NL:RVS:2022:2047
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing aanvraag verblijfsvergunning zelfstandige Turkse vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 10 oktober 2019 de aanvraag van een Turkse vreemdeling voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af vanwege onvoldoende onderbouwing van het ondernemingsplan en ontbrekende stukken. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, stellende dat de staatssecretaris advies had moeten vragen aan de minister van Economische Zaken en Klimaat.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het ondernemingsplan onvoldoende was toegespitst op de eigen dienst en dat de vreemdeling niet de vereiste aanvullende stukken had overgelegd. Ook was de vergelijking met een andere zelfstandige onjuist omdat de omstandigheden en stukken verschilden. Daarnaast was de motivering van de staatssecretaris omtrent de behoefte aan ongeschoolde arbeidskrachten adequaat.
De vreemdeling voerde verder verweren aan over de standstill-bepaling, het gelijkheidsbeginsel en schending van de hoorplicht, maar deze werden ongegrond verklaard. De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 16 september 2021, en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 16 september 2021 worden vernietigd, en het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard.