ECLI:NL:RBDHA:2025:1962

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 februari 2025
Publicatiedatum
13 februari 2025
Zaaknummer
NL25.2465
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 30 VwArt. 17 DublinverordeningArt. 3 EVRMVerordening (EU) nr. 604/2014
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel

Eiser, met de Zambiaanse nationaliteit, diende op 7 oktober 2024 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30 van Pro de Vreemdelingenwet, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening. Dit werd bevestigd door Eurodac-gegevens en de acceptatie van het overnameverzoek door Duitsland.

Eiser betoogde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer geldt vanwege toenemend geweld tegen asielzoekers in Duitsland en persoonlijke bedreigingen vanwege zijn politieke achtergrond. Tevens stelde hij dat de overdracht aan Duitsland onevenredige hardheid oplevert en verweerder op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening de aanvraag aan zich had moeten trekken.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen niet nakomt. Het aangevoerde rapport en persoonlijke omstandigheden bieden geen grond voor afwijking. Ook is verweerder gemotiveerd niet overgegaan tot het aan zich trekken van de aanvraag.

Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter K.M. de Jager op 11 februari 2025.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.2465

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. D.H. Yabasun),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 17 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft op 17 januari 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Zambiaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1998. Eiser heeft op 7 oktober 2024 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de verdere behandeling van de asielaanvraag van eiser. In dit artikel is bepaald dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening [1] is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Uit Eurodac is gebleken dat eiser door Duitsland in het bezit is gesteld van een visum, dat geldig was van 30 september 2024 tot 20 oktober 2024. Op grond van artikel 12, tweede lid van de Dublinverordening heeft verweerder aan Duitsland een verzoek om overname gedaan. Op 17 december 2024 hebben de Duitse autoriteiten het verzoek aanvaard, waarmee de verantwoordelijkheid van Duitsland vast staat.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit, en voert daartoe het volgende aan. Ten aanzien van Duitsland kan niet langer worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser beroept zich hierbij op het AIDA-rapport [2] en diverse andere artikelen. [3] Eiser betoogt dat hieruit volgt dat er toenemend geweld is tegen asielzoekers in de opvang in Duitsland. Voorts loopt eiser gevaar in zijn land van herkomst vanwege dreigingen van personen die hem willen doden omdat eiser lid was van de oppositiepartij. Bij aankomst in Duitsland is eiser herkend door personen die hem willen doden, hierdoor vreest eiser dat hij bij terugkeer aan Duitsland opnieuw gevaar loopt. Tot slot getuigt zijn overdracht aan Duitsland van onevenredige hardheid en had verweerder op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening eisers asielaanvraag aan zich moet trekken. Eisers eerdere ervaringen in Duitsland en de landeninformatie over geweld tegen asielzoekers in de opvang vormen voldoende aanleiding voor verweerder om de aanvraag onverplicht aan zich te trekken op grond van bijzondere individuele omstandigheden.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Verweerder mag er, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in beginsel vanuit gaan dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen nakomt. Dit heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld in haar uitspraak van 31 oktober 2024. [4] Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat daar in zijn geval niet vanuit kan worden gegaan. Eiser is hier niet in geslaagd. In de door hem overgelegde artikelen zijn geen aanknopingspunten om te concluderen dat het toenemende geweld tegen asielzoekers en de opvang in het geval van eiser zorgt voor een risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM [5] . Het door eiser aangehaalde AIDA-rapport leidt evenmin tot een andere conclusie. Nu eiser voorts geen asielaanvraag in Duitsland heeft ingediend, heeft hij ook geen eigen ervaringen met de asielprocedure in dat land. Er is voor de rechtbank dan ook geen aanleiding om van het oordeel van de Afdeling af te wijken. Gelet op het voorgaande hoeft verweerder dan evenmin nader onderzoek te verrichten.
5. De gestelde vrees van eiser voor terugkeer naar Duitsland omdat hij gevaar loopt om herkend te worden als lid van de oppositiepartij in zijn herkomstland, heeft eiser niet nader onderbouwd. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag er vanuit worden gegaan dat de autoriteiten in Duitsland hun verdragsverplichtingen nakomen en dat zij eiser zullen beschermen tegen eventuele bedreiging of pressie door derden. Als eiser toch problemen ervaart tijdens zijn asielprocedure, is het aan hem om hierover bij de (hogere) Duitse autoriteiten te klagen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat klagen bij de (hogere) Duitse autoriteiten voor hem onmogelijk of bij voorbaat zinloos is.
6. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, komt verweerder een discretionaire bevoegdheid toe. Hierin is bepaald dat in afwijking van artikel 3, eerste lid, van de Dublinverordening elke lidstaat kan besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht. Verweerder maakt hier terughoudend gebruik van, namelijk in situaties waarin overdracht getuigt van onevenredige hardheid. [6]
7. Verweerder heeft in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd waarom hij geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening de behandeling van eisers asielaanvraag aan zich te trekken. Eiser heeft verder geen bijzondere individuele omstandigheden aangevoerd, anders dan de omstandigheden die hiervoor al zijn beoordeeld, die maken dat overdracht aan Duitsland van onevenredige hardheid getuigt.
8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 11 februari 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Verordening (EU nr. 604/2014).
2.AIDA Country Report Germany (2023 update).
3.Info Migrants op 14 november 2023 en 21 februari 2024, Amnesty International op 14 februari 2024, Anadolu Agency op 2 augustus 2023 en 21 februari 2024, Euro-Med Human Rights Monitor op 5 juli 2023 en Tagesschau op 2 augustus 2023.
5.Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
6.Hoofdstuk C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000.