Eiser, een man uit Nigeria en lid van de IPOB-beweging, vroeg asiel aan in Nederland. Zijn aanvraag werd in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j van de Vreemdelingenwet, omdat verweerder meende dat eiser op ernstige gronden een gevaar vormde voor de openbare orde vanwege een veroordeling in Frankrijk.
De rechtbank oordeelde dat het asielrelaas deels geloofwaardig was, maar dat de problemen die eiser zou ondervinden vanwege zijn lidmaatschap van IPOB onvoldoende aannemelijk waren. Ook vond de rechtbank dat verweerder niet aannemelijk had gemaakt dat eiser een actuele dreiging vormt voor de openbare orde, mede vanwege het tijdsverloop sinds de veroordeling.
De rechtbank vernietigde het besluit voor zover de aanvraag als kennelijk ongegrond was afgewezen en het terugkeerbesluit zonder vertrektermijn was opgelegd. Zelf werd een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van vier weken opgelegd. Tevens werden de proceskosten aan verweerder opgelegd.