ECLI:NL:RBDHA:2025:19675

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 oktober 2025
Publicatiedatum
28 oktober 2025
Zaaknummer
NL25.49266
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Vreemdelingenwet 2000Art. 14 Verordening (EU) nr. 2016/399Art. 94 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toegangsweigering en vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling bevestigd door rechtbank Den Haag

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een vreemdeling tegen twee besluiten van 8 september 2025: de weigering van toegang tot Nederland en de oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel. De toegang werd geweigerd omdat de vreemdeling niet beschikte over een geldig reisdocument en onvoldoende middelen van bestaan.

De vreemdeling betwistte de gronden voor de toegangsweigering niet, maar voerde aan bereid te zijn mee te werken aan zijn uitzetting, mits geen rechtsmiddelen meer openstonden. De rechtbank oordeelde echter dat er voldoende zware gronden waren om het risico op onderduiken aan te nemen, mede omdat de vreemdeling tijdens het gehoor had verklaard niet vrijwillig mee te zullen werken aan terugkeer naar Zuid-Afrika en slechts onder voorwaarden aan Nepal.

De rechtbank verwees tevens naar een eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 6 oktober 2025, die het hoger beroep in de asielprocedure ongegrond had verklaard, waardoor de afwijzing van de asielaanvraag definitief was. Gezien deze feiten en verklaringen concludeerde de rechtbank dat de vrijheidsontnemende maatregel rechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van toegang en de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.49266

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. N. van Bremen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.A. Weststrate).

Procesverloop

1. Bij besluit van 8 september 2025 (bestreden besluit 1) is aan eiser op grond van artikel 14, gelezen in samenhang met artikel 6 van Pro Verordening (EU) nr. 2016/399 (Schengengrenscode) de toegang geweigerd en bij besluit van diezelfde datum (bestreden besluit 2) is aan eiser op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
1.1.
Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Op grond van artikel 94, tweede lid, van de Vw 2000 wordt, indien aan de vreemdeling een besluit tot weigering van toegang tot Nederland is uitgereikt, het beroep geacht mede een beroep tegen dit besluit te omvatten.
1.2.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 14 oktober 2025 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hierop op 16 oktober 2025 gereageerd. De rechtbank heeft op 17 oktober 2025 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Over bestreden besluit 1 (toegangsweigering)
2. Verweerder heeft eiser de toegang geweigerd omdat eiser:
- niet in het bezit is van een geldig reisdocument;
- niet over voldoende middelen van bestaan kan beschikken voor zowel de duur van het voorgenomen verblijf als voor de terugreis naar het land van herkomst of voor de doorreis naar een derde land, waar de toegang is gewaarborgd, dan wel niet in staat is deze middelen rechtmatig te verwerven.
3. Eiser heeft de gronden voor het weigeren van de toegang niet betwist. De rechtbank gaat uit van een rechtmatige toegangsweigering.
Over bestreden besluit 2 (vrijheidsontnemende maatregel)
4. Op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 kan de vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met de grensbewaking aangewezen ruimte of plaats die is beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek.
5. In de vrijheidsontnemende maatregel heeft verweerder overwogen dat ten aanzien van eiser het risico op onderduiken bestaat. Verweerder heeft daartoe als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3i. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn/haar verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vreemdelingenbesluit (Vb) heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
6. Ten aanzien van zware gronden 3a en 3i voert eiser aan dat hij bereid is om mee te werken aan zijn uitzetting, mits er geen rechtsmiddelen meer openstaan. Daarbij benadrukt eiser dat er geen risico op onttrekking of onderduiking is omdat hij wil meewerken aan zijn terugkeer. Verder is niet duidelijk aan welke verplichting uit hoofdstuk 4 van het Vb 2000 eiser zich niet heeft gehouden. Ten aanzien van lichte gronden 4c en 4d voert eiser aan dat deze niet op zichzelf en ook niet in samenhang de vrijheidsontnemende maatregel kunnen dragen. Een nadere op eiser betrekking hebbende toelichting is vereist.
7. De rechtbank overweegt als volgt.
8. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de zware gronden 3a en 3i terecht aan de maatregel ten grondslag gelegd. Ten aanzien van zware grond 3a heeft eiser niet betwist dat deze feitelijk juist is. Verder volgt de rechtbank eiser niet in zijn stelling dat aannemelijk is dat hij zal meewerken aan zijn uitzetting. Tijdens het gehoor van 8 september 2025 heeft eiser uitdrukkelijk verklaard niet mee te zullen werken als hij moet terugkeren naar Zuid-Afrika. [1] Ten aanzien van terugkeer naar Nepal heeft eiser aangegeven alleen onder voorwaarden mee te werken, namelijk als zijn rechtsmiddelen zijn uitgeput. De rechtbank leidt hieruit af dat eiser niet uit eigen beweging zal voldoen aan zijn verplichting tot vertrek. [2] Om deze redenen heeft verweerder de zware grond 3i mogen tegenwerpen.
9. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de Afdeling op 6 oktober 2025 het hoger beroep in de asielprocedure van eiser ongegrond heeft verklaard, waardoor de afwijzing van eisers asielaanvraag nu in rechte vaststaat. [3] Desondanks heeft eiser in het vertrekgesprek van 9 oktober 2025 aangegeven niet mee te zullen werken aan zijn uitzetting naar Nepal. [4]
10. Nu in ieder geval de zware gronden onder 3a en 3i van toepassing zijn, komt de rechtbank tot de conclusie dat er genoeg gronden zijn om aan te nemen dat er een risico op onderduiken bestaat. Deze gronden kunnen de maatregel al dragen. De overige gronden behoeven daarom geen bespreking.
11. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
Gevolgen
12. Het beroep wordt, zowel voor zover gericht tegen de toegangsweigering als voor zover gericht tegen de vrijheidsontnemende maatregel, gelet op het voorgaande ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. [5]
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Kennisgeving, 8 september 2025, bladzijde 5.
2.Zie ter vergelijking de uitspraak van de hoogste bestuursrechter, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), van 1 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1858, rechtsoverweging 2.1.
3.Uitspraak van de Afdeling van 6 oktober 2025 met zaaknummers 202505071/1/V2 en 202505071/2/V2 (niet gepubliceerd).
4.Vertrekgesprek, 9 oktober 2025.
5.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ECLI:EU:C:2022:858 en ECLI:EU:C:2025:647.