De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een vreemdeling tegen twee besluiten van 8 september 2025: de weigering van toegang tot Nederland en de oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel. De toegang werd geweigerd omdat de vreemdeling niet beschikte over een geldig reisdocument en onvoldoende middelen van bestaan.
De vreemdeling betwistte de gronden voor de toegangsweigering niet, maar voerde aan bereid te zijn mee te werken aan zijn uitzetting, mits geen rechtsmiddelen meer openstonden. De rechtbank oordeelde echter dat er voldoende zware gronden waren om het risico op onderduiken aan te nemen, mede omdat de vreemdeling tijdens het gehoor had verklaard niet vrijwillig mee te zullen werken aan terugkeer naar Zuid-Afrika en slechts onder voorwaarden aan Nepal.
De rechtbank verwees tevens naar een eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 6 oktober 2025, die het hoger beroep in de asielprocedure ongegrond had verklaard, waardoor de afwijzing van de asielaanvraag definitief was. Gezien deze feiten en verklaringen concludeerde de rechtbank dat de vrijheidsontnemende maatregel rechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.