ECLI:NL:RVS:2022:1858
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bewaring vreemdeling wegens weigering vrijwillig vertrek
De vreemdeling was op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 in bewaring gesteld wegens het niet vrijwillig verlaten van Nederland. De staatssecretaris baseerde de bewaring op meerdere gronden, waaronder dat de vreemdeling niet uit eigen beweging aan zijn vertrekplicht voldeed en had aangegeven niet te zullen terugkeren.
De vreemdeling stelde in hoger beroep dat het verschil tussen willen terugkeren en meewerken aan terugkeer onvoldoende was meegewogen, omdat hij wel zou meewerken indien gedwongen. De Raad van State oordeelde echter dat deze verklaring niet afdoet aan de plicht tot vrijwillig vertrek en bevestigde dat de maatregel bewaring terecht was opgelegd.
Daarnaast verwierp de Raad van State het betoog dat een lichter middel dan bewaring had moeten worden gekozen, aangezien de gronden voor bewaring onverminderd van kracht waren. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de bewaring wordt bevestigd.