Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd op 11 maart 2024 ontvangen en de minister had zes maanden om te beslissen. Eiser stelde de minister op 12 augustus 2025 schriftelijk in gebreke en diende daarna beroep in.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister niet binnen de wettelijke beslistermijn heeft beslist. De minister moet binnen acht weken na verzending van de uitspraak een gehoor afnemen over de asielmotieven van eiser en binnen acht weken daarna een besluit nemen. Bij overschrijding van deze termijn is een dwangsom van €100 per dag verschuldigd, met een maximum van €15.000.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser, vastgesteld op €453,50, vanwege het inschakelen van professionele juridische hulp. De rechtbank vernietigt het niet tijdig genomen besluit en legt de genoemde termijnen en dwangsom op om naleving af te dwingen.