ECLI:NL:RBDHA:2025:19926

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 september 2025
Publicatiedatum
30 oktober 2025
Zaaknummer
NL24.34670 en NL24.34671
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Asielaanvraag van Libische nationaliteit met betrekking tot artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag en risico op schending van artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar Libië

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan over de asielaanvraag van een Libische eiser, die zijn aanvraag had ingediend op basis van de Vreemdelingenwet 2000. De minister van Asiel en Migratie had de aanvraag afgewezen op grond van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, omdat de eiser in verband werd gebracht met ernstige misdrijven, waaronder marteling en foltering, tijdens zijn werkzaamheden voor de Libische veiligheidsdienst. De rechtbank heeft de feiten en omstandigheden van de zaak uitvoerig beoordeeld, waaronder de rol van de eiser in de Libische veiligheidsdienst en de situatie in Libië. De rechtbank concludeert dat de minister onvoldoende heeft aangetoond dat de eiser bij terugkeer naar Libië een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit van de minister en draagt deze op om binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met de uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL24.34670 (beroep)
NL24.34671 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de meervoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1972, van Libische nationaliteit, eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. A. Jankie),
en
de minister van Asiel en Migratie [1] , de minister
(gemachtigde: mr. C. Wesenbeek).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 [2] (het bestreden besluit). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat een deel van het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De rechtbank is van oordeel dat de minister wel heeft mogen vinden dat er ‘ernstige redenen’ zijn om te veronderstellen dat eiser verantwoordelijk gehouden kan worden voor één van de misdrijven zoals bedoeld in het artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag [3] , maar onvoldoende heeft onderzocht of eiser bij terugkeer naar Libië een reëel risico loopt op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het EVRM [4] .Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 16 april 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 3 september 2024 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond vanwege de toepassing van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. Daarnaast heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd en inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd. Ook krijgt eiser een besluit tot SIS [5] -signalering, eveneens voor de duur van tien jaar.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en verzocht om een voorlopige voorziening inhoudende dat hij het beroep in Nederland mag afwachten.
2.2.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 30 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K. Ghanmi als tolk in de taal Arabisch-Libisch en de gemachtigde van de minister.
2.3.
De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst op grond van artikel 8:64 van de Awb [6] , om de minister de gelegenheid te geven om op de zittingsaantekeningen te reageren voor het gedeelte van de zitting waarbij zij niet aanwezig kon zijn. De gemachtigde van de minister was namelijk niet in de gelegenheid om tot het einde van de zitting te blijven, omdat de behandeling van de zitting later dan gepland begon en dus ook pas later dan gepland eindigde.
2.4.
Op 29 juli 2025 heeft de minister aangegeven geen aanleiding te zien om te reageren op de zittingsaantekeningen en akkoord te gaan om de zaak zonder nadere zitting af te doen.
2.5.
Op 18 augustus 2025 heeft de gemachtigde van eiser aangegeven akkoord te gaan om de zaak zonder nadere zitting af te doen.
2.6.
Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek op 19 augustus 2025 gesloten en aangegeven dat zij uitspraak zal doen binnen zes weken.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas en achtergrond
3. Eiser heeft in de periode van 1992 tot 2011 bij de [bedrijf] gewerkt. Eiser heeft het grootste gedeelte van deze periode in Libië zelf gewerkt en in de periode van 2004 tot 2008 op de [locatie] in Griekenland. Na de val van Khadaffi in 2011 is eiser naar Egypte gegaan waar hij een paar jaar als taxichauffeur heeft gewerkt. In 2015 is eiser teruggekeerd naar Libië en is hij gaan werken voor de veiligheidsdienst van de regering die de macht had in het oosten van Libië. Hij heeft zich onder meer beziggehouden met het adviseren in de strijd tegen IS [7] . Toen eiser in 1992 bij de [bedrijf] begon, was hij luitenant, toen hij Libië in 2022 verliet was hij inmiddels [functie]. De rechtbank zal hieronder enkele perioden uitlichten die de minister heeft benoemd in het bestreden besluit.
3.1.
Eiser heeft in zijn gehoren verklaard dat hij zich in de periode van 1996 tot 2004 heeft beziggehouden met het bewaken van belangrijke bezoekers en delegaties uit het buitenland in de functie als coördinator van de beveiliging van bijeenkomsten. Ook is hij in die periode ingezet in de strijd tegen wat eiser noemt en is vertaald naar “negatieve verschijnselen” en in de correcties en aanvullingen is verduidelijkt door aan te geven dat het gaat om “alles wat tegen de wet was”. Eiser heeft verklaard dat hij in de periode van 1996 tot 2004 meer tijd heeft besteed aan het bestrijden van de negatieve verschijnselen, dan aan het beveiligen van prominenten. Bij het bestrijden van deze negatieve verschijnselen werden honderden mensen gearresteerd. Uit de verklaringen van eiser blijkt dat de negatieve verschijnselen veelomvattend zijn, het gaat in ieder geval om terroristen en smokkelaars (zowel van drugs, wapens en mensen, maar ook voedsel). De strijd tegen negatieve verschijnselen vond plaats in een commissie. Eiser werd in een commissie geplaatst die een specifiek doel had, bijvoorbeeld het bestrijden van drugssmokkel aan de grens met Tunesië. In een commissie zaten leden van verschillende overheidsdiensten, zoals bijvoorbeeld de veiligheidsdienst en het leger. Als gevolg van het werk van eiser in de commissies werden mensen gearresteerd en werd smokkelwaar in beslag genomen.
3.2.
In de periode van 2004 tot 2008 heeft eiser gewerkt als leidinggevende binnen de beveiliging op de [locatie] in Griekenland.
3.3.
In de periode 2009 en 2010 had eiser binnen de veiligheidsdienst een functie in een commissie die zich bezighield met het tegengaan van illegale migratie naar Italië. Migranten werden op zee aangehouden door de Italiaanse autoriteiten. Deze migranten werden vervolgens onder de verantwoordelijkheid van eiser overgedragen. Hij zorgde ervoor dat de migranten werden doorgestuurd naar opvangkampen in Libië. De mensen die de boot bestuurden werden overgedragen aan de commissie van onderzoek.
3.4.
In de periode van 2010 tot 2011 (tot de val van het Khadaffi-regime) heeft eiser zich weer beziggehouden met het bestrijden van drugssmokkel.
3.5.
Eiser heeft verklaard op 18 april 2020 ontvoerd te zijn en negen maanden te zijn vastgehouden. Eiser is toen ernstig mishandeld. Eiser is op 6 januari 2021 vrijgelaten en is toen voor medische behandelingen naar Tunesië en Egypte gegaan. Hierna heeft eiser in Tobroek en Benghazi verbleven in het oosten van Libië. Eiser vreest bij terugkeer naar Libië voor mensen die tot de politieke islam behoren, voor mensensmokkelaars en drugs- en wapensmokkelaars en de autoriteiten in Libië.
Het bestreden besluit
4. De minister heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond [8] , omdat eiser volgens de minister in verband kan worden gebracht met wederrechtelijke detentie, marteling/foltering en (zware) mishandeling, waardoor artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is. Uit de door de minister aangehaalde openbare bronnen [9] blijkt dat ten tijde van het regime van Khadaffi in Libië op grote schaal werd gemarteld/gefolterd en (ernstig) mishandeld door de Libische autoriteiten. Ook wederrechtelijke detentie werd op grote schaal toegepast. Het waren met name de Libische veiligheidsdiensten die zich hier schuldig aan maakten. Eiser was officier bij de [bedrijf] tot aan de val van Khadaffi in 2011 en was betrokken bij de arrestatie van honderden mensen waaronder migranten. Gelet op de gedragingen waarmee eiser in verband kan worden gebracht is artikel 1F, aanhef en onder a en b, van het Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing.
4.1.
Om te kunnen bepalen of eiser individueel voor de gedragingen verantwoordelijk dient te worden gehouden, heeft de minister beoordeeld of ten aanzien van eiser moet worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van de betreffende misdrijven (
‘knowing participation’) en of eiser daar op enige wijze aan heeft deelgenomen (‘
personal particiaption’). De minister neemt aan dat van beide sprake is en geeft hiervoor kort gezegd de volgende motivering.
4.1.1.
De minister neemt aan dat er sprake is van
‘knowing participation’. Eiser wordt in verband gebracht met wederrechtelijke detentie, martelen/folteren en (zware) mishandeling. Ten aanzien hiervan wordt overwogen dat eiser wist of had moeten weten dat deze misdrijven onderdeel waren van een wijdverbreide of stelselmatige aanval, gericht tegen een burgerbevolking. De carrière van eiser en het feit dat hij meermalen betrokken was bij de samenwerking met onder meer Italië vormen een indicatie dat hij binnen de [bedrijf] een belangrijke positie had en daarmee ook goed op de hoogte moet zijn geweest van wat er gebeurde binnen de veiligheidsdienst. Eiser ging werken voor de [bedrijf] in een periode dat op grote schaal mensen wederrechtelijk werden gedetineerd en werden gemarteld/gefolterd en (zwaar) mishandeld. Eiser moet dus hebben geweten dat in Libië op dat moment systematisch en/of wijdverbreid werd gemarteld door de Libische autoriteiten, nu zelfs de zoon van Khadaffi in 2008 publiekelijk erkende dat dit gebeurde. De ontkenningen van eiser dat hij niet zelf geweten zou hebben van de mishandelingen zijn dan ook niet geloofwaardig volgens de minister. De minister gaat ervan uit dat de gestelde gebrekkige kennis van eiser over het systematisch en/of wijdverbreid martelen/folteren en (ernstig) mishandelen wordt ingegeven door een wens van eiser om zijn eigen bijdrage aan deze mensenrechtenschendingen te bagatelliseren. Ook ten aanzien van de wederrechtelijke detentie van migranten wordt ervan uitgegaan dat eiser hiervan heeft geweten. Gelet op de informatie uit openbare bronnen blijkt dat migranten door de Libische autoriteiten veelal in te kleine opvangcentra werden geplaatst, waarbij er stelselmatig een tekort aan voedsel en medische zorg was en de migranten op grote schaal slachtoffer werden van (zware) mishandeling door de Libische autoriteiten, waarbij zij soms jarenlang werden vastgehouden. Hierdoor stelt de minister dat het niet anders kan dan dat eiser hier niet de volledige waarheid heeft gesproken. Gelet op zijn functie en rol bij het tegengaan van deze illegale migratie kan het niet anders dan dat eiser geweten heeft of had moeten weten dat migranten jarenlang onder slechte omstandigheden in wederrechtelijke detentie werden gehouden.
4.1.2.
Ook neemt de minister aan dat er sprake is van
‘personal participation’, omdat eiser misdrijven zoals bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag heeft gefaciliteerd. De minister overweegt dat eiser door in wezenlijke mate bij te dragen aan het mogelijk maken van de misdrijven geacht wordt daadwerkelijk hieraan te hebben deelgenomen. Uit zijn verklaringen blijkt namelijk dat hij alleen al in de periode van 1996 tot 1997 betrokken was bij de arrestatie van meer dan 200 mensen die verdacht werden van terroristische activiteiten. Eiser ging bijna dagelijks mee en speelde een essentiële rol in de arrestaties. Uit openbare bronnen blijkt dat in deze periode in Libië arrestanten langdurig in wederrechtelijke detentie verbleven en dat er tijdens dergelijke detentie systematisch en/of wijdverbreid werd gemarteld, gefolterd. Eiser heeft in de periode van 1996 tot 2011 in meerdere commissies gezeten die smokkelaars hebben gearresteerd, die vervolgens werden overgedragen zodat ze verhoord en berecht konden worden. Op grond van de informatie die uit de verhoren kwam, kon eiser met zijn commissie weer nieuwe arrestaties verrichten. Eiser was in 2009 tot 2010 verantwoordelijk voor het tegengaan van illegale migratie en heeft in die hoedanigheid ook arrestaties verricht van bestuurders van de boten en de mensen die verantwoordelijk waren voor de GPS en arrestanten overgedragen. In 2010 maakte eiser als leidinggevende deel uit van een commissie die drugssmokkel tegenging en mede door zijn handelen zijn weer mensen gearresteerd. De mensen die eiser heeft gearresteerd liepen zo het aanmerkelijk risico slachtoffer te worden van wederrechtelijke detentie, martelen/folteren en (zware) mishandeling. Eiser heeft niets aangevoerd waaruit volgens de minister kan worden afgeleid dat er ten aanzien van hem omstandigheden bestaan op grond waarvan dit niet aan hem zou kunnen worden toegerekend. Tot aan het moment van zijn vertrek uit Libië bleef eiser bovendien promoties krijgen, wat temeer een indicatie is dat hij zijn werk naar tevredenheid van zijn superieuren deed. Daarnaast is eiser tijdens het aanvullend gehoor 1F ook vol lof over de rechtsgang in Libië, terwijl uit openbare bronnen blijkt dat er in Libië systematisch en/of wijdverbreid werd gemarteld en gefolterd. Dat is volgens de minister temeer een indicatie dat eiser geen berouw toont over zijn eigen bijdrage aan deze mensenrechtenschendingen.
4.2.
De minister concludeert dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing is, dat hij dus gezien kan worden als gevaar voor de openbare orde en hij om die reden niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29 van de Vw. De minister heeft vervolgens beoordeeld of eiser, bij terugkeer naar Libië, een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. De minister stelt zich op het standpunt dat dit niet het geval is. Bij eiser is namelijk niet gebleken van een groep die systematisch wordt blootgesteld aan schending van artikel 3 van het EVRM. Ook is niet gebleken dat eiser behoort tot een aangewezen kwetsbare minderheidsgroep in zijn land van herkomst. Uit het relaas van eiser kan niet de conclusie worden getrokken dat sprake is van een reëel en voorzienbaar risico dat juist eiser bij terugkeer naar Libië zal worden onderworpen aan een door artikel 3 van het EVRM, dan wel artikel 3 van het Anti-Folterverdrag [10] , verboden behandeling. Weliswaar is het geloofwaardig dat eiser in 2020 is ontvoerd en negen maanden is vastgehouden tegen zijn zin, terwijl hij ernstig mishandeld is, maar dit betekent niet dat hij op dit moment te vrezen zou hebben voor een verboden behandeling indien hij zou terugkeren naar Libië. Hierbij is van belang dat hij na de vrijlating en na medische behandeling in Tunesië en Egypte steeds weer is teruggekeerd naar Libië. Eiser heeft uiteindelijk pas in april 2022, meer dan een jaar nadat hij door zijn ontvoerders is vrijgelaten, Libië daadwerkelijk verlaten. Ook blijkt uit zijn verklaringen dat hij nog altijd goede banden heeft met de autoriteiten in het oosten van Libië. Dit is temeer een indicatie dat er (in het oosten van Libië) bescherming aanwezig is tegen de mensen waar eiser voor stelt te vrezen. De stelling van eiser dat hij problemen zal krijgen omdat hij, als officier, te lang is weggebleven berust volledig op vermoedens. Daarom kan hij daarin niet worden gevolgd.
Heeft de minister artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag terecht tegengeworpen?
5. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser jarenlang voor de [bedrijf] heeft gewerkt. Eiser betwist wel dat de periode waarop de minister zich richt voor de 1F tegenwerping in zijn geheel relevant is, dat zijn werkzaamheden voor de [bedrijf] zijn aan te merken als misdrijven als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag en dat er sprake is van
‘knowing participation’en
‘personal participation’. Hieronder zal de rechtbank op deze punten ingaan.
Juridisch kader
5.1.
Onder artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag staat het volgende:
“De bepalingen van dit Verdrag zijn niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen, dat:
(a) hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;
(b) hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten”.
5.2.
Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een ernstig misdrijf in de zin van het Vluchtelingenverdrag, hanteert de rechtbank het volgende juridisch kader. De minister heeft voor de toepassing van deze verdragsbepaling beleid gemaakt. Uit paragraaf C2/7.10.7.4 van de Vc [11] volgt dat de minister voor het tegenwerpen van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag moet aantonen dat er ‘ernstige redenen’ zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling verantwoordelijk gehouden kan worden voor één van de misdrijven zoals bedoeld in dit artikel. Wegens enerzijds de ernst van de misdrijven waarop artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag betrekking heeft en anderzijds het verstrekkende karakter van de vaststelling dat die bepaling op een vreemdeling van toepassing is, worden aan de bewijsvoering en de motivering van de minister strenge eisen gesteld. De bewijslast die op de minister rust gaat echter niet zo ver dat hij moet aantonen dat is uit te sluiten dat de vreemdeling dergelijke misdrijven niet heeft gepleegd. [12] Indien de minister ‘ernstige redenen’ heeft aangetoond, moet de vreemdeling dit gemotiveerd weerleggen, om toepassing van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag te voorkomen. Om te bepalen of de vreemdeling verantwoordelijk kan worden gehouden voor misdrijven als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, onderzoekt de minister of de vreemdeling weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende misdrijf (
‘knowing participation’) en of hij hier op enige wijze persoonlijk aan heeft deelgenomen (
‘personal participation’).
1F van het Vluchtelingenverdrag – Relevante periode
5.3.
Eiser voert ten eerste aan dat de minister zich ten onrechte richt op de gehele periode tussen 1996 en 2011 als periode waarin de werkzaamheden van eiser aangemerkt worden als één of meerdere misdrijven tegen de menselijkheid in de zin van artikel 1F. Volgens eiser zou de minister zich enkel kunnen richten op de periode van 1996 tot 2004 . In die periode hield hij zich bezig met criminaliteitsbestrijding, waaronder antiterrorisme, bestrijding van mensensmokkel, drugssmokkel en illegale invoer van goederen.
5.3.1.
De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat de gehele periode van 1996 tot 2011 relevant is voor de 1F tegenwerping, met uitzondering van de periode van 2004 tot 2008 waarin eiser bij de [locatie] in Griekenland heeft gewerkt. Eiser betwist slechts de periode 2009 tot en met 2011.
Periode 2009 en 2010
5.3.2.
In 2009 en 2010 hield eiser zich bezig met het tegengaan van illegale migratie. Hij was verantwoordelijk voor de aanhouding en overdracht van migranten. Eiser heeft verklaard dat hij wist dat de omstandigheden in de opvangkampen in het algemeen slecht waren, maar erger wilde voorkomen zoals dat migranten verdronken op zee. [13] Uit openbare bronnen die de minister heeft aangehaald in het besluit blijkt dat migranten door de Libische autoriteiten langere tijd werden opgesloten zonder beschuldiging en zonder toegang tot rechtsbijstand. Duizenden migranten waren in de periode dat eiser zich met dit onderwerp bezighield slachtoffer van wederrechtelijke detentie. Tijdens deze detentie werden veel migranten mishandeld en hadden zij geen toegang tot medische voorzieningen. Eiser heeft deze bronnen waaruit dit blijkt niet weersproken. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de periode 2009 en 2010 relevant is voor de 1F-tegenwerping.
Periode 2010 en 2011
5.3.3.
In deze periode hield eiser zich weer bezig met het bestrijden van drugssmokkel. Eiser heeft zelf aangegeven dat de commissies waarvoor hij werkte mensen heeft opgepakt bij het bestrijden van drugssmokkel. Verder blijkt uit de onweersproken door de minister aangehaalde openbare bronnen dat ten tijde van het regime van Khadaffi in Libië op grote schaal werd gemarteld/gefolterd en (ernstig) mishandeld door de Libische autoriteiten. Ook blijkt daaruit dat wederrechtelijke detentie op grote schaal werd toegepast. Het waren met name de Libische veiligheidsdiensten die zich hier schuldig aan maakten. Eiser was officier bij de veiligheidsdienst tot aan de val van Khadaffi in 2011 en was – ook in deze periode – als leidinggevende nauw betrokken bij de arrestaties. Daarom heeft de minister ook deze periode naar het oordeel van de rechtbank terecht relevant gevonden voor de 1F-tegenwerping.
Heeft de minister terecht geconcludeerd dat sprake is van ‘knowing participation’?
5.4.
Vervolgens voert eiser aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat er bij hem sprake is van
‘knowing participation’. Het feit dat eiser bij arrestaties betrokken was, betekent namelijk niet automatisch dat hij wist of had kunnen weten dat de betrokken personen zouden worden onderworpen aan wederrechtelijke detentie, marteling/foltering en (zware) mishandeling. Het projectmatig werken in de opsporing en aanhouding van verdachten was enkel van uitvoerende aard, waarbij eiser slechts belast was met zijn eigen werkzaamheden en daarmee niet geïnformeerd was over de vervolgacties van de autoriteiten die belast waren verder in de keten, zoals het verhoren en de detentie. Eiser ziet niet in op welke manier hij aan de informatie had moeten komen dat er sprake was van mensenrechtenschendingen. Daarnaast is het onjuist om uit te gaan van de veronderstelling dat iedereen in de Libische samenleving op de hoogte was van systematische mensenrechtenschendingen. Hoewel er repressieve maatregelen waren, ervoeren veel burgers juist stabiliteit, economische voorspoed en betere toegang tot basisvoorzieningen zoals gezondheidszorg en onderwijs. Eiser bevond zich in een positie waarin hij geloofde dat hij bijdroeg aan de handhaving van orde en veiligheid in een wettelijk kader. Het enkele feit dat hij promoties kreeg, bewijst niet dat hij bewust betrokken was bij of kennis had van onrechtmatige praktijken binnen andere afdelingen van de veiligheidsdienst. Ook het feit dat de zoon van Khadaffi in 2008 erkende dat marteling plaatsvond, leidt er niet toe dat eiser hiervan op de hoogte moest zijn, nu dit pas veel later naar buiten kwam. Ten slotte probeert eiser zijn aandeel niet kleiner te maken dan wel op enige wijze te bagatelliseren, hij herkent zich er namelijk niet in dat hij een aandeel heeft gehad in de mensenrechtenschendingen.
5.4.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht heeft geconcludeerd dat eiser op de hoogte moet zijn geweest van de mensenrechtenschendingen in Libië en dus dat er sprake is van
‘knowing participation’. De minister heeft met voldoende bronnen aannemelijk gemaakt dat decennialang sprake was van wijdverspreide repressie door het Libische regime van Khadaffi, waarbij wederrechtelijke detenties, mishandelingen en martelingen op grote schaal plaatsvonden door de veiligheidsdienst in Libië. [14] Zoals eerder overwogen, heeft eiser deze bronnen niet bestreden. Eisers verklaring op de zitting dat hij pas na de val van Khadaffi bekend werd met de mensenrechtenschendingen strookt niet met de aangehaalde bronnen dat de gehele samenleving van de repressie op de hoogte was. Bovendien heeft de minister terecht relevant gevonden dat eiser tot zijn vertrek promoties bleef krijgen, waaruit de minister terecht heeft geconcludeerd dat eiser ook op de hoogte moet zijn geweest van de mensenrechtenschendingen tijdens zijn werk bij de veiligheidsdienst. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank enkel met zijn eigen verklaringen niet aannemelijk weten te maken dat hij in de perioden van 1996 tot 2004 en 2010 tot 2011 niet op de hoogte was van de repressie door de [bedrijf] en dus dat er bij hem geen sprake was van
‘knowing participation’.
Ditzelfde geldt voor de periode van 2009 en 2010 waarin eiser binnen de veiligheidsdienst een functie heeft bekleed die betrekking had op het tegengaan van illegale migratie naar Italië. Ook hier heeft de minister voldoende onderbouwd dat uit dezelfde bronnen blijkt dat er in die kampen sprake was van mensenrechtenschendingen, waaronder wederrechtelijke detentie. Ten aanzien van deze wederrechtelijke detentie blijkt uit het aanvullend gehoor 1F dat eiser hiervan wist. Eiser heeft namelijk bevestigend geantwoord op de vraag dat de kampen eigenlijk een soort gevangenis waren en dat de omstandigheden slecht waren. [15] Gelet op de functie en rol van eiser bij het tegengaan van deze illegale migratie heeft de minister terecht geconcludeerd dat eiser geweten heeft of had moeten weten dat migranten jarenlang onder slechte omstandigheden in wederrechtelijke detentie werden gehouden.
Concluderend is de rechtbank van oordeel dat de minister terecht is uitgegaan van
‘knowing participation’.
Heeft de minister terecht geconcludeerd dat sprake is van ‘personal participation’?
5.5.
Eiser voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat er bij hem sprake is van
‘personal participation’. Volgens eiser is hij slechts een uitvoerend ambtenaar geweest die heeft gehandeld binnen zijn taakomschrijving, de hem opgelegde beperkingen en binnen het kader van de Libische wet- en regelgeving in het kader van criminaliteitsbestrijding. Zijn betrokkenheid bij arrestaties is formeel geweest; hij heeft geen verantwoordelijkheid gedragen voor wat er na de arrestatie met de verdachten is gebeurd. Verder is er geen bewijs dat eiser zelf betrokken was bij verhoren, detentie of martelingen. Het enkele feit dat hij verdachten heeft overgedragen binnen het wettelijk kader van criminaliteitsbestrijding is dan ook niet voldoende volgens eiser om betrokkenheid bij mensenrechtenschendingen te bewijzen. Ook de verwijzingen van de minister naar "systematische" en "wijdverbreide" schendingen in openbare bronnen kunnen volgens eiser niet zonder meer worden toegeschreven aan de specifieke taken die eiser binnen de veiligheidsdienst uitvoerde. Verder stelt eiser dat het idee dat migranten slachtoffer werden van wederrechtelijke detentie in een bredere context geplaatst moet worden. De slechte detentieomstandigheden waren een structureel probleem binnen het Libische systeem en niet iets waar eiser persoonlijk verantwoordelijk voor kan worden gehouden. Als uitvoerder van beleid was hij gebonden aan zijn taak, kon hij geen invloed uitoefenen op de uitvoering van de diensten verder in de keten en was hij ook niet bij machte om zaken te veranderen.
5.5.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht heeft geconcludeerd dat sprake is van
‘personal participation’. Eiser heeft hier enkel tegen ingebracht dat hij niet verantwoordelijk was voor wat er is gebeurd na de arrestaties. Dit acht de rechtbank onvoldoende om niet te kunnen spreken van
‘personal participation’. Uit zijn verklaringen volgt immers dat hij in zijn rol bij de arrestaties de mensenrechtenschendingen wel heeft gefaciliteerd. Eiser heeft verklaard dat hij in de periode van 1996 tot 2011 (met uitzondering van de periode 2004 tot 2008 ) betrokken was bij honderden arrestaties van mensen die verdacht werden van terroristische activiteiten, maar ook van smokkelaars. [16] Ook heeft eiser verklaard dat hij een leidinggevende rol had bij de arrestaties en aanhoudingen [17] , dat mensen vervolgens werden overgedragen aan een andere commissie waar deze mensen verhoord werden, waardoor informatie werd verzameld en nog meer mensen gearresteerd konden worden. [18] Hoewel eiser zelf heeft verklaard niet actief bezig te zijn geweest met de wederrechtelijke detenties, mishandelingen en martelingen, heeft de minister terecht geconcludeerd dat hij deze mensenrechtenschendingen wel heeft gefaciliteerd door mensen op te pakken in zijn leidinggevende rol en over te dragen aan de andere commissies. Daarbij is van belang dat uit het Algemeen ambtsbericht van Libië uit mei 2012 [19] volgt dat mensen tijdens de arrestatie mishandeld en gefolterd werden. Nu deze arrestaties tot de werkzaamheden van eiser behoorde, dragen zij bij aan
‘personal participation’. Ook ten aanzien van de opvangkampen geldt dat eiser de mensenrechtenschendingen heeft gefaciliteerd. Hij heeft immers de opgepakte migranten overgedragen aan de opvangkampen waarvan hij wist dat de omstandigheden daar slecht waren. Op grond van de verklaringen van eiser dat hij mensen heeft gearresteerd en heeft overgedragen om verhoord te worden of heeft overgedragen aan de opvangkampen in samenhang bezien met de openbare bronnen waaruit blijkt dat tijdens de arrestaties, verhoren en in de opvangkampen sprake was van mensenrechtenschendingen, is de minister terecht uitgegaan van dat eiser deze mensenrechtenschendingen heeft gefaciliteerd. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat de minister terecht is uitgegaan van
‘personal participation’.
Tussenconclusie tegenwerping artikel 1F
5.6.
Uit het voorgaande volgt dat de minister artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag aan eiser terecht heeft tegengeworpen. Eiser is daarom uitgesloten van bescherming op grond van het Vluchtelingenverdrag. Daarom komt hij niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Eiser komt om die reden ook niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op één van de andere in artikel 29 van de Vw genoemde gronden. De minister heeft de aanvraag van eiser dan ook terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Heeft de minister terecht geconcludeerd dat eiser bij terugkeer geen risico loopt op behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM?
6. Tussen partijen is ook in geschil of eiser bij terugkeer naar Libië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Eiser stelt namelijk dat hij risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar Libië. Eiser wijst in dat kader op zijn ontvoering en op het feit dat de ontvoerders hem enkel hebben vrijgelaten toen zij dachten dat hij niet lang meer zou leven. Er zijn geen garanties in de ogen van eiser dat zijn ontvoerders niet opnieuw zullen toeslaan. Daarnaast is in het oosten van Libië de militante groepering ISA [20] actief die het daar voor burgers onveilig maakt. Verder is er geen adequate bescherming voor eiser in Libië. Zelfs niet door de autoriteiten van het oosten van Libië waarmee eiser nauwe banden zou moeten hebben vanwege zijn rang en connecties volgens de minister. De vrees voor vervolging of mishandeling bij terugkeer moet niet worden geminimaliseerd enkel omdat eiser connecties heeft in het oosten van Libië. Eiser wijst op de veiligheids- en humanitaire situatie in Libië en dat het van belang is om deze situatie bij de beoordeling onder artikel 3 van het EVRM te betrekken. De onvoorspelbaarheid van de veiligheidssituatie, gecombineerd met de zwakke rechtsstaat en de fragmentatie van het gezag, creëert een situatie waarin het voor mensen zoals eiser moeilijk is om adequate bescherming te krijgen. Verder heeft eiser er op de zitting ook op gewezen dat hij bij terugkeer door de Libische autoriteiten ondervraagd zal worden en er een hoge sanctie zal staan op zijn ongeoorloofde afwezigheid.
6.1.
De minister meent dat hij terecht en voldoende gemotiveerd tot de conclusie is gekomen dat eiser geen reëel risico op ernstige schade loopt in de zin van artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar zijn woon- en verblijfsplaats Tobroek en Benghazi in het oosten van Libië.
Primair stelt de minister zich op het standpunt dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt op ernstige schade. De minister volgt eiser in zijn stelling dat zijn ontvoering in 2020 heeft plaatsgevonden door IS, maar acht de gestelde vrees van eiser voor herhaling niet aannemelijk. Daarvoor is van belang dat de ontvoering volgens eiser inmiddels vijf jaar geleden heeft plaatsgevonden door leden van IS en uit het recente ambtsbericht van Libië blijkt dat terroristische organisaties zoals IS inmiddels nog slechts een geringe dreiging vormen in Libië en alleen in het zuiden van Libië aanwezig zijn. Verder verwacht de minister dat eiser terugkeert naar het oostelijk deel van Libië dat onder controle staat van LAAF [21] . Eiser is ontvoerd toen hij zich in een gebied bevond dat onder controle staat van GNU [22] , dat zegt dus niets over de waarschijnlijkheid dat dit weer zal gebeuren wanneer hij terugkeert naar Tobroek en Benghazi. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt waarom ISA het op hem gemunt zou hebben. Verder acht de minister de vrees voor de mensensmokkelaars en drugssmokkelaars niet geloofwaardig en dus de gestelde vrees die hieruit voortvloeit ook niet. Ook acht de minister de vrees voor de autoriteiten in het oosten van Libië vanwege het niet verschijnen op werk niet aannemelijk. Eiser is namelijk eerder voor langere periode niet op werk verschenen en dat heeft toen niet tot problemen geleid.
Subsidiair stelt de minister zich op het standpunt dat – als eiser wel gevaar zou lopen – hij hiervoor bescherming van de autoriteiten in het oosten van Libië zou kunnen krijgen. Temeer nu eiser daar een hoge functie binnen de veiligheidsdienst heeft bekleed en zelfs promotie heeft gemaakt na de ontvoering.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister het standpunt dat eiser bij terugkeer naar Libië geen reëel risico loopt op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het EVRM onvoldoende heeft gemotiveerd en onderbouwd. Eerst zal de rechtbank enkele bronnen noemen die partijen hebben aangehaald en enkele passages uit het Algemeen ambtsbericht Libië van februari 2023 belichten. Vervolgens zal de rechtbank ingaan op deze bronnen en uitleggen waarom zij van oordeel is dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Libië geen artikel 3 EVRM risico loopt.
6.2.1.
Eiser heeft de volgende twee bronnen aangehaald om zijn risico bij terugkeer op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM aannemelijk te maken. Eiser wijst op de eerste bron om aannemelijk te maken dat ook de regio’s Tobroek en Benghazi – waarvan de minister verwacht dat hij daarnaar terugkeert – niet veilig zijn. Op de tweede bron wijst eiser om aannemelijk te maken dat IS nog steeds in Libië actief is.

Bron 1: Amnesty International, Libya 2024, gedateerd 29 april 2025

“Forced evictions
Militias and armed groups in Tripoli and Benghazi carried out forced evictions and house
demolitions, arresting and intimidating those who protested.
In March, some 350 families were forcibly evicted from their homes in the [naam 1]
neighbourhood of Tripoli without being provided with alternative housing, according to the
UN.
In October the ISA armed group in Benghazi arrested journalist [naam 2] after he criticized online the seizure of private property by the Libya Reconstruction Fund. LAAF-affiliated armed groups had forcibly evicted and demolished his uncles’ homes in Benghazi’s Jaliana area without adequate compensation or consultation with the community.
[naam 2] was released after 19 days on medical grounds.”
Bron 2: UN Security Council, Letter dated 6 February 2025 from the President of the Security Council acting in the absence of a Chair of the Security Council Committee pursuant to resolutions 1267 (1999), 1989 (2011) and 2253 (2015) concerning Islamic State in Iraq and the Levant (Da’esh), Al-Qaida and associated individuals, groups, undertakings and entities addressed to the President of the Security Council
“48. Both ISIL (Da’esh) and Al-Qaida continued to exploit Libya as a transit corridor for
fighters, arms, funds and illicit trade in resources, posing a persistent threat. Al-Qaida in
Libya was active in the south-west, leveraging tribal connections to maintain logistical and
financial platforms, in particular to support Sahel-based affiliates. In July, a cell led by a
Libyan operative linked to JNIM, responsible for supplying satellite communication systems
and wireless devices, was dismantled. Unlike ISIL (Da’esh), Al-Qaida has integrated more
effectively into local tribes, enabling greater outreach and influence.”
6.2.2. De rechtbank acht de overige passages uit het Algemeen ambtsbericht Libië van februari 2023 van belang om de veiligheidssituatie in Libië voor terugkeerders te schetsen:

Pagina 29:

“Mensen reizen, aldus verschillende bronnen, binnenlands tussen oost en west. Echter, mensen die op de een of andere manier politiek of militair verbonden zijn met de militaire coalitie van de opposanten lopen het risico op ondervraging, arrestatie en verdwijning. Dat kan op het vliegveld of bij controleposten gebeuren zoals die tussen oost en west.”

Pagina 30:

”Er waren, aldus het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken, berichten dat gewapende groeperingen luchthavens in het land controleerden en steekproefsgewijze controles uitgevoerd op vertrekkende binnenlandse en internationale reizigers, met inbegrip van hun persoonlijke elektronische apparaten. Libië kent geen gemeenschappelijk douane- en immigratiesysteem.”

“De SDF heeft de controle over het internationale vliegveld Mitiga bij Tripoli. Het internationale vliegveld van Misrata wordt gecontroleerd door lokale strijdgroepen die verbonden zijn aan het ministerie van Binnenlandse Zaken (GNU). Inlichtingendiensten verbonden aan het LNA zijn aanwezig op het internationale vliegveld van Benghazi. Verschillende bronnen geven aan dat veiligheidsorganisaties op de internationale vliegvelden van Tripoli en Benghazi lijsten hebben van personen die ze in de gaten houden onder wie mensenrechtenactivisten en lokale staf werkzaam voor internationale instanties.”

Pagina’s 72 en 73:

“Dezerzijds kon geen informatie worden verkregen, bij gebrek aan terzake goed ingevoerde bronnen, over specifieke personen van Libische nationaliteit die in de verslagperiode, vrijwillig dan wel gedwongen terugkeerden, en problemen bij inreis ondervonden van de autoriteiten. Het is bekend dat op de internationale vliegvelden van Tripoli en Benghazi gewapende groepen en inlichtingendiensten gelieerd aan de autoriteiten aanwezig zijn. Reizigers die via die vliegvelden in of uitreizen worden zwaar gecontroleerd.

(…)
Naar aanleiding van een steekincident door een mogelijke Libiër begin januari 2023 in Parijs verklaarden de Franse autoriteiten: “We verwijderen niet naar Libië. Ten eerste gezien de instabiliteit van het land. Ten tweede omdat we geen uitwisselingskanaal hebben voor de identificatie van onderdanen”
(…)
Standpunt van UNHCR ten aanzien van gedwongen terugkeer van onderdanen van Libië of van inwoners die gewoonlijk in Libië verblijven met inbegrip van degenen van wie de asielaanvraag is afgewezen.
“UNHCR dringt er bij alle staten op aan om gedwongen terugkeer naar Libië op te schorten totdat de veiligheids- en mensenrechtensituatie aanzienlijk is verbeterd. Gezien de volatiliteit van de situatie, de versnippering van de controle en de overvloed aan gewapende groepen, is het UNHCR van mening dat in de huidige omstandigheden waarschijnlijk niet zal worden voldaan aan de relevantie- en redelijkheidscriteria voor een intern vlucht- of hervestigingsalternatief. Opschorting van de gedwongen terugkeer naar Libië van onderdanen en van inwoners die gewoonlijk in dat land verblijven dient als minimumnorm. Deze opschorting mag geen vervanging vormen voor de internationale bescherming van vluchtelingen voor personen die blijken te voldoen aan de criteria voor de vluchtelingenstatus krachtens het Verdrag van 1951 en het Verdrag van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid (OAE) uit 1969.”
6.3.
Uit de aangehaalde bronnen (die overigens niet in geschil zijn) blijkt dat opposanten van het regime in Libië risico lopen op ondervraging, arrestatie en verdwijning. Volgens de minister wordt eiser in het oosten van Libië hoogstwaarschijnlijk niet als opposant gezien, omdat hij daar heeft gewerkt voor de veiligheidsdienst. Voor de rechtbank is dit niet zonder meer duidelijk. De rechtbank sluit niet uit dat eiser bij terugkeer wél als opposant wordt gezien, juist omdat hij geruime tijd uit Libië is weggebleven. Dat eiser na zijn ontvoering is teruggekeerd naar Libië, betekent niet zonder meer dat een nieuwe terugkeer opnieuw zonder risico zal zijn.
Daarnaast volgt uit dezelfde bronnen dat bij terugkeer niet alleen opposanten, maar ook internationale terugkeerders op vliegvelden kunnen worden gecontroleerd en ondervraagd. Dat eiser niet eerder expliciet heeft gesteld bij terugkeer te vrezen voor ondervraging op het vliegveld, maakt dit niet anders. Eiser heeft wel steeds verklaard te vrezen voor de autoriteiten en zijn stelling over de vrees bij ondervraging moet in dat licht worden gezien en valt dus binnen de omvang van het geding. Uit bovenstaande bronnen blijkt ook dat deze ondervragingen plaatsvinden door verschillende groeperingen: soms door groeperingen die bij de overheid behoren, maar ook door niet geconcretiseerde militaire groeperingen. Wat uit de bronnen echter niet blijkt, is wat de gevolgen van een dergelijke ondervraging kunnen zijn.
Eiser is een [functie] geweest in Libië, waardoor aannemelijk is dat eiser bij de autoriteiten bekend is. Voorts is eiser in het verleden ontvoerd door IS, waardoor ook de kans bestaat dat hij bij de militaire groeperingen die op het vliegveld aanwezig zijn bekend is, mede gelet op de wisselende militaire groeperingen in Libië [23] .
Verder blijkt uit het Algemeen ambtsbericht Libië uit 2023 dat, bij gebrek aan goed ingevoerde bronnen, geen informatie kon worden verkregen over terugkeerders met de Libische nationaliteit. Dit ambtsbericht biedt dus geen informatie over mogelijke risico’s die terugkeerders lopen en is bovendien inmiddels meer dan twee jaar oud. Daar komt bij dat de UNHCR erop aandringt dat alle staten gedwongen terugkeer naar Libië op moeten schorten tot de veiligheids- en mensenrechtensituatie aanzienlijk is verbeterd.
Met alle bovenstaande informatie kan de rechtbank niet concluderen dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. Alle bovenstaande informatie, in onderling verband en samenhang bezien, leidt de rechtbank echter wel tot het oordeel dat een begin van bewijs hiervan is geleverd. Het is daarom nu gelet op de samenwerkingsplicht aan de minister om de twijfel hierover weg te nemen. De minister is hier in het besluit, de schriftelijke reacties en op de zitting onvoldoende in geslaagd. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat de minister zich zonder nader onderzoek naar de situatie in Libië ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Libië .
6.4.
Ook is de rechtbank van oordeel dat de minister onvoldoende heeft onderzocht en gemotiveerd of er bescherming voor eiser aanwezig zou zijn in het oosten van Libië. De stelling van de minister dat eiser als [functie] bescherming zou kunnen krijgen van de autoriteiten in het oosten van Libië, is daartoe onvoldoende. Zelfs als eiser bescherming van de autoriteiten zou kunnen krijgen vanwege zijn eerdere functie als [functie] is (als hij niet gezien wordt als opposant vanwege zijn langdurige afwezigheid uit Libië), zijn er ook militaire groeperingen actief. De minister heeft onvoldoende onderzocht of eiser ook van die militaire groeperingen bescherming kan krijgen. Daar dient de minister ook nader onderzoek naar te doen. Het valt naar het oordeel van de rechtbank op dit moment niet uit te sluiten dat eiser bij terugkeer geen bescherming kan krijgen van de autoriteiten in het oosten van Libië en daardoor risico loopt op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het EVRM.
Tussenconclusie artikel 3 van het EVRM
6.5.
Kort gezegd dient de minister in het kader van artikel 3 van het EVRM nader onderzoek te doen naar het volgende:
  • Welke gevolgen hebben ondervragingen op vliegvelden in Libië voor internationale terugkeerders met de Libische nationaliteit, en in hoeverre vormen dergelijke ondervragingen een risico voor een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM?
  • Hoe worden terugkeerders met de Libische nationaliteit behandeld door de autoriteiten, en in hoeverre vormt deze behandeling een risico voor een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM?
  • In hoeverre kan eiser bescherming krijgen van de autoriteiten in het oosten van Libië, en zo ja, hoe effectief is deze bescherming gelet op de aanwezigheid van wisselende militaire groeperingen aldaar?

Conclusie en gevolgen

7. De minister heeft artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag terecht aan eiser tegengeworpen en om die reden de asielaanvraag van eiser terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. De minister heeft echter zijn standpunt dat eiser bij terugkeer naar Libië geen reëel risico loopt op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het EVRM onvoldoende onderzocht en gemotiveerd. De overige beroepsgronden over het terugkeerbesluit, het inreisverbod en de SIS-signalering behoeven geen bespreking, nu de minister hierover ook een nieuw standpunt zal moeten innemen bij het nieuw te nemen besluit. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover het gaat over artikel 3 van het EVRM, het terugkeerbesluit, het inreisverbod en de SIS-signalering. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit voor zover dat wordt vernietigd in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat er nader onderzoek nodig is om de gebreken te herstellen.
8. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De minister dient een nieuw besluit te nemen over artikel 3 van het EVRM, het terugkeerbesluit, het inreisverbod en de SIS-signalering. De rechtbank geeft de minister hiervoor twaalf weken.
9. Gezien dit oordeel over het beroep, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af.
10. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 3.174,50,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift, een verzoekschrift, een nadere reactie heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank, in zaaknummer NL24.34670:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 3 september 2024 voor zover daarin is beslist over artikel 3 van het EVRM, het terugkeerbesluit, het inreisverbod en de SIS-signalering;
- draagt de minister op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak.
De voorzieningenrechter, in zaaknummer NL24.34671:
-wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
De rechtbank/voorzieningenrechter, in alle zaken:
- veroordeelt de minister tot betaling van € 3.174,50,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, voorzitter, en mr. M.B. de Boer en mr. Q.M.J.A. Crul, leden, in aanwezigheid van mr. I.S. Roefs, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
2.Vreemdelingenwet 2000.
3.Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.Schengen Informatie Systeem.
6.Algemene wet bestuursrecht.
7.Islamitische Staat.
8.Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, van de Vw 2000.
9.De minister heeft onder andere verwezen naar artikelen van het UNHCR, het Algemeen Ambtsbericht Libië (25 mei 2012), rapporten van United States Department of State over Libië van 1999 tot en met 2011, artikelen van Amnesty International en artikelen van Human Rights Watch.
10.Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing.
11.Vreemdelingencirculaire 2000.
12.Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 1 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3684.
13.Zie bijvoorbeeld pagina 20 van het rapport aanvullend gehoor 1F.
14.Zie voetnoot 9.
15.Zie het rapport aanvullend gehoor 1F, pagina’s 20 en 21.
16.Zie het rapport aanvullend gehoor, pagina’s 6-8.
17.Zie het rapport gehoor aanmeldfase, pagina 7 en het rapport aanvullend gehoor 1F, pagina 5.
18.Zie het rapport aanvullend gehoor 1F, pagina 10.
19.Zie Algemeen Ambtsbericht Libië, mei 2012, paragraaf 2.5.6.4.
20.International Security Agency.
21.Libyan Arab Armed Forces (Libische Arabische strijdkrachten, LAAF). Zij beheersen een groot gedeelte van Libië, waaronder een groot gedeelte van Oost-Libië. Zie het Algemeen ambtsbericht Libië februari 2023 pagina 18.
22.Government of National Unity (regering van nationale eenheid, GNU). Zij beheersen grotendeels het noordwesten van Libië. Zie het Algemeen ambtsbericht Libië februari 2023 pagina 18.
23.Zie het Algemeen ambtsbericht Libië februari 2023, pagina 10.