Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:1993

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 januari 2025
Publicatiedatum
14 februari 2025
Zaaknummer
09-028399-22
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:3:3 SvArt. 6:6:23 SvArt. 126 lid 3 Wet op de Rechterlijke OrganisatieArt. 3 lid 1 onder b Besluit regels landelijk parket
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaarschrift gegrond wegens ontbrekende handtekening officier van justitie bij omzetting taakstraf in hechtenis

De veroordeelde is bij onherroepelijk vonnis veroordeeld tot een taakstraf van 130 uren met een vervangende hechtenis van 65 dagen bij niet-naleving. Tevens is een eerdere taakstraf van 25 uren met vervangende hechtenis van 12 dagen ten uitvoer gelegd. De officier van justitie heeft een beslissing genomen tot omzetting van resterende taakstrafurens in vervangende hechtenis, maar deze beslissing was niet ondertekend door een officier van justitie.

De rechtbank oordeelt dat de bevoegdheid tot het nemen van een dergelijke beslissing niet gemandateerd kan worden aan een andere ambtenaar, omdat het een discretionaire bevoegdheid betreft die vrijheidsbeneming inhoudt, zoals bepaald in artikel 6:3:3 Sv Pro en het Besluit regels landelijk parket. Het ontbreken van een handtekening betekent dat de beslissing niet rechtsgeldig is genomen.

De rechtbank verwijst naar een recente conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad (ECLI:NL:PHR:2024:1388) ter onderbouwing van dit standpunt. De gronden van het bezwaarschrift worden daarom gegrond verklaard en de veroordeelde wordt opgedragen de resterende taakstraf van 64 uren alsnog binnen 12 maanden te verrichten.

Uitkomst: Het bezwaarschrift wordt gegrond verklaard en de taakstraf moet alsnog worden uitgevoerd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Strafrecht
Zittingsplaats 's-Gravenhage
parketnummer: 09-028399-22
raadkamernummer: 25-000603
Beslissing van de politierechter in de rechtbank Den Haag, op het bezwaarschrift op grond van artikel 6:6:23 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] ,
wonende op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. B.L.M. Dankelman, advocaat te AMSTERDAM (Arent Janszoon Ernststr 187, 1083 GV AMSTERDAM),
hierna te noemen: de veroordeelde.

Beoordeling van het bezwaarschrift

De veroordeelde is bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 4 november 2022 veroordeeld tot een taakstraf van 130 uren. Daarbij is bepaald dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 65 dagen. Daarnaast is de tenuitvoerlegging van de straf bevolen, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Den Haag van 8 oktober 2020, gewezen onder parketnummer 09-817278-19, te weten een taakstraf voor de duur van 25 uren. Daarbij is bepaald dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 12 dagen.
Het bezwaarschrift is gericht tegen de beslissing van de officier van justitie die strekt tot de omzetting van de resterende uren taakstraf in vervangende hechtenis. Deze beslissing is niet ondertekend door een (met naam genoemde) officier van justitie.
Artikel 126, derde lid, van de Wet op de Rechterlijke Organisatie bepaalt dat een bevoegdheid van de officier van justitie niet kan worden opgedragen aan een andere bij het parket werkzame ambtenaar indien de regeling waarop de bevoegdheid steunt of de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet. De politierechter is van oordeel dat de in artikel 6:3:3 Sv Pro aan het OM toegekende bevoegdheid zich naar haar aard verzet tegen mandatering. Het betreft immers niet alleen een bevoegdheid die vrijheidsbeneming met zich brengt, maar ook een waarbij aan het OM een discretionaire ruimte wordt gelaten. Dat hieraan de hand moet worden gehouden, volgt ook uit artikel 3, eerste lid, onder b, van het Besluit regels landelijk parket en functioneel parket, alsmede ten aanzien van mandateren bevoegdheid officier van justitie, waarin is bepaald dat de officier van justitie de uitoefening van een bevoegdheid niet kan opdragen aan een andere bij het parket werkzame ambtenaar indien de bevoegdheid betrekking heeft op beslissingen tot vrijheidsontneming.
Nu een handtekening van een (met naam genoemde) officier van justitie ontbreekt op de genomen beslissing, en ook anderszins niet uit enig voor de rechter en de veroordeelde beschikbaar processtuk rechtstreeks en ondubbelzinnig volgt dat is voldaan aan de voorwaarden voor de rechtsgeldigheid van de omzettingsbeslissing, kan de politierechter niet vaststellen dat deze beslissing daadwerkelijk is genomen door een officier van justitie.
Dat leidt ertoe dat het bezwaarschrift gegrond moet worden verklaard. De politierechter verwijst in dit verband ook naar de conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad d.d. 17 december 2024, ECLI: NL:PHR:2024:1388, r.o. 44, 48 en 49. De in het bezwaarschrift aangevoerde gronden kunnen onbesproken blijven. De politierechter zal bepalen dat veroordeelde de nog resterende uren taakstraf alsnog moet verrichten.

Beslissing

De politierechter:
- verklaart het bezwaarschrift gegrond;
- bepaalt dat de taakstraf, te weten 64 uren, binnen een termijn van 12 maanden alsnog moet worden verricht.
Aldus gedaan te Den Haag door mr. W.R. van Hattum, rechter, in tegenwoordigheid van mr. D. Gerla, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2025.