ECLI:NL:RBDHA:2025:19995

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 oktober 2025
Publicatiedatum
30 oktober 2025
Zaaknummer
NL25.52269
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tweede vervolgberoep inzake voortduren van de maatregel van bewaring van een Ghanese vreemdeling

Op 30 oktober 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak betreffende een Ghanese vreemdeling die in bewaring is gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw). De eiser, die niet verschenen was voor de presentatie bij de Ghanese autoriteiten, stelde dat de maatregel van bewaring niet langer gerechtvaardigd was omdat hij niet meewerkte aan zijn uitzetting. De rechtbank heeft vastgesteld dat er zicht op uitzetting naar Ghana bestaat, aangezien verweerder een aanvraag voor een laissez-passer (lp) heeft opgestart bij de Ghanese autoriteiten. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen, omdat de eiser niet voldoende had meegewerkt aan zijn uitzetting en verweerder voldoende voortvarend had gehandeld. De rechtbank concludeerde dat het voortduren van de maatregel van bewaring rechtmatig was en dat er geen aanleiding was voor een proceskostenveroordeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.52269

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. D. Schaap),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

Procesverloop

Bij besluit van 30 juli 2025 heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 30 oktober 2025 gesloten. [2]

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1981 en de Ghanese nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Hierbij wordt verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 13 augustus 2025. [3] Vervolgens is een vervolgberoep ingediend. Uit de laatste uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 25 september 2025 [4] volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 19 september 2025, rechtmatig was. Daarom ziet de beoordeling nu op het voortduren van de maatregel van bewaring sinds 19 september 2025.
4. Eiser voert aan dat hij niet meewerkt aan een presentatie bij de Ghanese autoriteiten. Zonder een presentatie bij de autoriteiten kan geen lp [5] worden afgegeven, waardoor eiser niet kan worden uitgezet naar Ghana. Uit het dossier is verder niet gebleken welke uitzettingshandelingen verweerder heeft verricht, anders dan de gevoerde vertrekgesprekken met eiser. Gelet op het vorenstaande is het niet langer gerechtvaardigd dan wel redelijk om de maatregel van bewaring voort te zetten.
5. De rechtbank overweegt allereerst dat er in zijn algemeenheid zicht op uitzetting naar Ghana bestaat. [6] Uit het voortgangsrapport blijkt dat verweerder op 23 juni 2025 een aanvraag voor een lp heeft opgestart bij de Ghanese autoriteiten. Deze aanvraag loopt nog steeds. De rechtbank wijst er in dit verband op dat op eiser de verplichting rust om volledig en actief mee te werken aan zijn uitzetting en zijn lp-traject. Uit het dossier volgt dat eiser niet is verschenen voor zijn presentatie bij de Ghanese autoriteiten op 8 oktober 2025. Verder heeft eiser geen enkele actie ondernomen om aan documenten te komen om zijn nationaliteit en identiteit aan te tonen. Ook is niet gebleken van enige aanknopingspunten die erop wijzen dat voor eiser bij volledige medewerking geen lp zal worden afgegeven door de Ghanese autoriteiten. Dat eiser weigert mee te werken aan de presentatie, en daarmee zijn uitzetting, komt voor eisers eigen rekening en risico. De rechtbank volgt eiser daarom niet in zijn standpunt dat het niet langer gerechtvaardigd dan wel redelijk is om de maatregel van bewaring voort te zetten. Het is de rechtbank namelijk niet gebleken dat uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Voor zover eiser stelt dat verweerder met de met hem gevoerde vertrekgesprekken onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting, overweegt de rechtbank als volgt. Uit het voortgangsrapportage is gebleken dat verweerder op 25 september 2025 en 16 oktober 2025 schriftelijk heeft gerappelleerd bij de Ghanese autoriteiten in verband met de ingediende lp-aanvraag. Verder blijkt dat verweerder op 24 september 2025, op 26 september 2025 en op 10 oktober 2025 vertrekgesprekken met eiser heeft gevoerd en op 8 oktober 2025 een presentatie heeft gepland. Nu verweerder rappelleert, vertrekgesprekken heeft gevoerd met eiser en een nieuwe presentatie heeft ingepland, heeft verweerder in de te beoordelen periode voldoende voortvarend gewerkt aan eisers uitzetting naar Ghana. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder meer of andere uitzettingshandelingen had dienen te verrichten.
7. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 30 oktober 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier en openbaar gemaakt door middel van publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw.
5.Laissez-passer.
6.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:824.