ECLI:NL:RBDHA:2025:20066
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening.
Eiser stelde dat hij onvoldoende gelegenheid had gekregen voor een gehoor en dat het besluit onvoldoende zorgvuldig was voorbereid. De rechtbank oordeelde dat eiser tweemaal persoonlijk was uitgenodigd voor een gehoor en dat het recht op effectieve rechtsbescherming niet was geschonden. Daarnaast voerde eiser aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet toegepast kon worden vanwege structurele tekortkomingen in Zwitserland, maar de rechtbank vond dat de minister dit voldoende had gemotiveerd en dat eiser geen concrete aanwijzingen had geleverd.
Verder stelde eiser dat artikel 17 van Pro de Dublinverordening niet juist was toegepast en dat overdracht aan Zwitserland zou leiden tot indirect refoulement. De rechtbank oordeelde dat de minister op deze punten voldoende had gemotiveerd en dat het risico op indirect refoulement niet onderzocht hoeft te worden zolang het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het besluit van 3 oktober 2025. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter W. Loof en griffier K.H.M.M. Otten.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.