Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 oktober 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummers: [nummer 1], eiser,
[naam minderjarige zoon], v-nummer: [nummer 2]
Rechtbank Den Haag
In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 30 oktober 2025, wordt het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd beoordeeld. De minister van Asiel en Migratie had de aanvraag op 23 mei 2025 afgewezen, met het argument dat Zwitserland verantwoordelijk was voor de behandeling van de aanvraag. De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2025 behandeld, waarbij de gemachtigden van zowel eiser als de minister aanwezig waren. Na heropening van het onderzoek en aanvullende reacties van de minister en eiser, vond er op 1 oktober 2025 een nadere zitting plaats.
De rechtbank concludeert dat de minister terecht het interstatelijk vertrouwensbeginsel heeft toegepast ten aanzien van Zwitserland. Eiser betoogde dat er in Zwitserland problemen zijn met de huisvesting van asielzoekers en dat de asielprocedures niet voldoen aan de vereisten van effectieve rechtsbescherming. De rechtbank oordeelt echter dat de minister voldoende rekening heeft gehouden met de situatie in Zwitserland en dat de garanties voor de behandeling van het asielverzoek door de Zwitserse autoriteiten voldoende zijn.
Daarnaast werd het belang van het kind in de beoordeling meegenomen. Eiser voerde aan dat de belangen van zijn minderjarige zoon niet voldoende waren gewaarborgd. De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft overwogen dat het in beginsel in het belang van een minderjarige is om bij de ouder te blijven en dat eiser niet heeft aangetoond dat de overdracht aan Zwitserland schadelijk zou zijn voor het kind. Uiteindelijk verklaart de rechtbank het beroep ongegrond, wat betekent dat het besluit van de minister in stand blijft en eiser geen proceskostenvergoeding ontvangt.