ECLI:NL:RBDHA:2025:20075

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 oktober 2025
Publicatiedatum
31 oktober 2025
Zaaknummer
NL25.23538
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van het beroep tegen het niet in behandeling nemen van een asielaanvraag met betrekking tot Zwitserland en het belang van het kind

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 30 oktober 2025, wordt het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd beoordeeld. De minister van Asiel en Migratie had de aanvraag op 23 mei 2025 afgewezen, met het argument dat Zwitserland verantwoordelijk was voor de behandeling van de aanvraag. De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2025 behandeld, waarbij de gemachtigden van zowel eiser als de minister aanwezig waren. Na heropening van het onderzoek en aanvullende reacties van de minister en eiser, vond er op 1 oktober 2025 een nadere zitting plaats.

De rechtbank concludeert dat de minister terecht het interstatelijk vertrouwensbeginsel heeft toegepast ten aanzien van Zwitserland. Eiser betoogde dat er in Zwitserland problemen zijn met de huisvesting van asielzoekers en dat de asielprocedures niet voldoen aan de vereisten van effectieve rechtsbescherming. De rechtbank oordeelt echter dat de minister voldoende rekening heeft gehouden met de situatie in Zwitserland en dat de garanties voor de behandeling van het asielverzoek door de Zwitserse autoriteiten voldoende zijn.

Daarnaast werd het belang van het kind in de beoordeling meegenomen. Eiser voerde aan dat de belangen van zijn minderjarige zoon niet voldoende waren gewaarborgd. De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft overwogen dat het in beginsel in het belang van een minderjarige is om bij de ouder te blijven en dat eiser niet heeft aangetoond dat de overdracht aan Zwitserland schadelijk zou zijn voor het kind. Uiteindelijk verklaart de rechtbank het beroep ongegrond, wat betekent dat het besluit van de minister in stand blijft en eiser geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.23538

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummers: [nummer 1], eiser,

mede namens zijn minderjarige zoon
[naam minderjarige zoon], v-nummer: [nummer 2]
(gemachtigde: mr. B. de Haan),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 23 mei 2025 niet in behandeling genomen omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
1.2.
De rechtbank heeft het onderzoek na de zitting heropend en de voorlopige voorziening toegewezen. Hierbij heeft de rechtbank vragen gesteld aan de minister. De minister heeft op 25 juli 2025 gereageerd. Eiser heeft op 1 augustus 2025 gereageerd op de antwoorden van de minister.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep van eiser op 1 oktober 2025 op een nadere zitting opnieuw behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] In dit geval heeft Nederland bij Zwitserland een verzoek om terugname gedaan. Zwitserland heeft dit verzoek aanvaard.
Mag de minister ten aanzien van Zwitserland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
5. Eiser betoogt dat de minister voor Zwitserland ten onrechte is uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hiertoe voert eiser aan dat in Zwitserland problemen bestaan met de huisvesting van asielzoekers en de inrichting van de asielprocedure. Eiser voert aan dat in Zwitserland verschillende noodopvanglocaties zijn geopend, waarin de privacy beperkt is. Ook is sprake van personeelstekorten en onvoldoende begeleiding in deze opvanglocaties. De asielprocedures in Zwitserland zijn versneld, wat leidt tot risico’s voor de waarborging van procedurele rechten. Ook is de beroepstermijn kort, vijf werkdagen, wat de effectieve rechtsbescherming bemoeilijkt. Juridische bijstand is niet altijd gegarandeerd of effectief. Ook bevat de asielprocedure geen daadwerkelijk klachtrecht. Hierdoor is het onduidelijk of sprake is van een ‘daadwerkelijk rechtsmiddel’ in de zin van artikel 13 van het EVRM. Alleenstaande minderjarigen vormen een kwetsbare groep, waarbij ook de bescherming kwetsbaar is. Detentie wordt toegepast bij het risico op onderduiken, ook bij Dublinclaimanten. Ook zijn er verschillen in rechten en voorzieningen tussen mensen met verschillende statussen. Eiser betoogt dat hij in Zwitserland het risico loopt op indirect refoulement, omdat Zwitserland alle EU-/EFTA landen als veilig beschouwd, zonder toetsing van individuele risico’s. Hierdoor loopt eiser het risico om terug te worden gestuurd naar zijn land van herkomst.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van mening dat de minister mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Zwitserland. Hierbij verwijst de rechtbank naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 10 oktober 2025. [2] Ten aanzien van het betoog van eiser dat onduidelijk is of hij in Zwitserland rechtsbijstand kan krijgen, verwijst de minister terecht naar artikel 20 en artikel 21 van de Procedurerichtlijn, waarin staat dat gratis rechtsbijstand mogelijk moet zijn in de beroepsprocedure, waarbij door de lidstaten de voorwaarde opgelegd kan worden dat dit alleen aangeboden wordt aan mensen die onvoldoende middelen van bestaan hebben. Ook stelt de minister terecht dat eiser zich bij voorkomende problemen kan wenden tot de (hogere) autoriteiten in Zwitserland. Niet is gebleken dat zij eiser niet willen of kunnen helpen of dat klagen bij voorbaat zinloos is. De minister stelt verder terecht dat ook in andere lidstaten de mogelijkheid bestaat om een vreemdeling (rechtmatig) in detentie te zetten wanneer een risico op onderduiken bestaat. Het enkele feit dat de mogelijkheid bestaat dat een vreemdeling in detentie wordt geplaatst, maakt niet dat Zwitserland handelt in strijd met verdragen of Europese richtlijnen. Met betrekking tot het betoog dat eiser het risico loopt om te worden uitgezet naar zijn land van herkomst, wordt geoordeeld dat de autoriteiten van Zwitserland middels het claimakkoord hebben gegarandeerd zijn asielverzoek om internationale bescherming in behandeling te nemen.
Heeft de minister voldoende rekening gehouden met het belang van het kind?
6. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende toepassing heeft gegeven aan artikel 3 van het IVRK, waaruit de verplichting volgt om de belangen van kinderen de eerste overweging te laten zijn bij beschikkingen die (mede) over kinderen gaan. Eiser voert aan dat Zwitserland als Dublinland niet wordt beschouwd als heilzaam of gunstig voor kinderen. Uit wat eerder door eiser is aangevoerd blijkt juist dat Zwitserland een nadelig land is om naar toe te gaan.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister betoogt terecht dat de situatie van verzoeker en zijn vader onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden en dat het in beginsel altijd in van een minderjarige is om bij de ouder te blijven. De minister heeft eveneens terecht overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt, of op enigerlei wijze heeft onderbouwd, dat door overdracht aan Zwitserland de belangen van het kind worden geschaad. De beslissing van de minister om het asielverzoek niet zelf in behandeling te nemen op grond van het belang van het kind is daarmee niet onzorgvuldig of onvoldoende gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E. Brokke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.ABRvS 10 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4864.