Eiser diende op 12 april 2025 een asielaanvraag in Nederland in, maar de minister nam deze niet in behandeling omdat Tsjechië volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is. Tsjechië had eerder een Schengenvisum aan eiser verleend en had het verzoek tot overname geaccepteerd.
Eiser voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is vanwege systeemtekortkomingen in Tsjechië, zoals instabiliteit van huisvesting, beperkte toegang tot arbeidsmarkt en gezondheidszorg, en discriminatie van LHBTI-personen. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende concrete en objectieve aanknopingspunten had geleverd die de hoge drempel van zwaarwegendheid overschrijden.
Daarnaast stelde eiser dat hij recht heeft op een verblijfsvergunning humanitair tijdelijk wegens mensenhandel, omdat hij slachtoffer is en meewerkt aan opsporing. De rechtbank stelde vast dat eiser geen bewijs had geleverd van aangifte of dat het Openbaar Ministerie zijn aanwezigheid noodzakelijk achtte, waardoor deze grond faalde.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees de gevraagde verblijfsvergunning af. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter J.M. Emaus en griffier N. Habibi op 29 oktober 2025.