De minister heeft op 15 oktober 2025 de maatregel van bewaring opgelegd aan eiser, die hiertegen beroep heeft ingesteld. De rechtbank heeft op 28 oktober 2025 het beroep behandeld en vastgesteld dat de zware grond 3i door de minister is laten vallen. De overige gronden die aan de bewaring ten grondslag liggen zijn niet bestreden en worden als voldoende beoordeeld.
Eiser stelde dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting naar Algerije, omdat sinds juli 2024 wordt gewacht op een laissez-passer (lp) zonder reactie van de Algerijnse autoriteiten. De rechtbank oordeelt echter dat de minister maandelijks rappelleert en vertrekgesprekken voert, wat voldoende voortvarendheid inhoudt. Eiser heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die meer inspanning vereisen.
Daarnaast betoogde eiser dat het zicht op uitzetting ontbreekt vanwege het uitblijven van het lp en het ontbreken van documenten om zijn identiteit te onderbouwen. De rechtbank stelt dat het zicht op uitzetting binnen redelijke termijn niet ontbreekt, omdat de lp-aanvraag nog loopt en er geen aanwijzingen zijn dat de lp niet zal worden verstrekt. Eiser voldoet niet aan zijn medewerkingsplicht, wat de voortzetting van bewaring verklaart.
De rechtbank ziet geen reden om de maatregel van bewaring onrechtmatig te achten en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.