ECLI:NL:RBDHA:2025:20090

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 oktober 2025
Publicatiedatum
31 oktober 2025
Zaaknummer
NL25.430
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag van een Somalische vrouw op basis van ongeloofwaardige bedreigingen door Al-Shabaab

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag wordt de afwijzing van de asielaanvraag van een Somalische vrouw beoordeeld. Eiseres heeft op 17 augustus 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel, die door de Minister van Asiel en Migratie op 9 december 2024 is afgewezen. De rechtbank behandelt het beroep van eiseres, die stelt dat haar asielrelaas geloofwaardig is en dat de minister de bedreigingen van Al-Shabaab ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. De rechtbank komt tot de conclusie dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft onderbouwd dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden van de Vreemdelingenwet en dat er geen reëel risico op ernstige schade bestaat bij terugkeer naar Somalië. De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken en concludeert dat de minister de aanvraag terecht als ongegrond heeft afgewezen. Eiseres krijgt geen gelijk en er wordt geen vergoeding van proceskosten toegekend.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.430
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. E. Ceylan),
en

de Minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. M. Duijzer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Eiseres heeft op 17 augustus 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het besluit van 9 december 2024 (het bestreden besluit) deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
4. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
5. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
6. De rechtbank heeft het beroep op 12 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. Als tolk is verschenen: A. Achmed.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
7. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1997 en heeft de Somalische nationaliteit. Eiseres heeft verklaard dat zij Somalië heeft verlaten, omdat zij door Al-Shabaab is bedreigd vanwege haar werk bij het [bedrijf 1] ( [bedrijf 1] ) voor [bedrijf 2] en [bedrijf 3] . Eiseres is drie keer telefonisch bedreigd door Al-Shabaab. Tijdens deze telefoongesprekken werd haar gezegd dat zij moest stoppen met haar werk voor het [bedrijf 1] , omdat deze organisatie een internationale en daarmee – in de ogen van Al-Shabaab – een ongelovige organisatie zou zijn. Bij terugkeer naar Somalië vreest eiseres voor Al-Shabaab, omdat zij door hen als ongelovige is bestempeld. Daarnaast heeft eiseres verklaard dat zij een alleenstaande vrouw is, omdat haar echtgenoot is overleden en zij geen sociaal netwerk heeft in Somalië.
Het bestreden besluit
8. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende vijf asielmotieven:
(1) identiteit, nationaliteit en herkomst;
(2) werk voor het [bedrijf 1] ;
(3) bedreigingen van Al-Shabaab vanwege haar werk;
(4) dood van haar vader door de overheid; en
(5) alleenstaande vrouw in de zin van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
9. De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig. Ook vindt de minister geloofwaardig dat eiseres voor [bedrijf 1] heeft gewerkt, en dat haar vader door toedoen van de overheid is overleden. De gestelde bedreigingen van Al- Shabaab vanwege het werk van eiseres vindt de minister niet geloofwaardig. Eiseres heeft deze bedreigingen niet onderbouwd met objectieve documenten. De minister heeft vervolgens aan de hand van de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Volgens de minister is dat niet het geval, omdat eiseres wisselend, tegenstrijdig en summier heeft verklaard over de bedreigingen van Al-Shabaab. De minister concludeert daarom dat de verklaringen van eiseres geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen, waardoor eiseres niet voldoet aan artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw. Verder stelt de minister zich op het standpunt dat eiseres geen gegronde vrees voor vervolging heeft en bij terugkeer naar Somalië geen reëel risico loopt op ernstige schade. Zo kan eiseres volgens de minister niet worden aangemerkt als alleenstaande vrouw uit Somalië, en komt zij uit [plaats 1] , een plaats die niet onder controle staat van Al-Shabaab. Volgens de minister heeft eiseres evenmin aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer moet reizen door een gebied waar Al- Shabaab aan de macht is.
10. Gelet op het voorgaande komt eiseres volgens de minister niet in aanmerking voor een asielvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw. De minister wijst de aanvraag van eiseres af als ongegrond. De minister heeft een terugkeerbesluit, gericht op vertrek naar Somalië, met een vertrektermijn van
vier weken aan eiseres opgelegd.
Werkinstructie 2024/6
11. Eiseres voert aan dat de wijze waarop de minister de geloofwaardigheid van het asielrelaas heeft getoetst onjuist is en in strijd is met de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond van 7 januari 2025, waarmee aan het Hof prejudiciële vragen zijn gesteld (verwijzingsuitspraak). In die verwijzingsuitspraak gaat het om de vraag of de werkwijze van de minister verenigbaar is met artikel 4 van de Richtlijn 2011/95. Eiseres stelt onder verwijzing naar die verwijzingsuitspraak dat ten onrechte geen invulling wordt gegeven aan lid 1 tot en met 4 van dat artikel en dat onder meer de andere elementen die als ondersteuning van de verklaringen kunnen dienen, niet of onvoldoende worden betrokken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling. Subsidiair verzoekt eiseres om aanhouding totdat deze prejudiciële vragen zijn beantwoord.
12. De rechtbank ziet in deze zaak geen aanleiding voor het oordeel dat de Werkinstructie 2024/6 (WI 2024/6) in strijd is met Richtlijn 2011/95 dan wel het Unierecht. Deze rechtbank en deze zittingsplaats heeft op 10 juni 2025 uitspraak gedaan over WI 2024/6 (ECLI:NL:RBDHA:2025:10057). De rechtbank verwijst naar de overwegingen 7.1, 7.2 en 7.3 van die uitspraak en neemt deze overwegingen over. Kort gezegd heeft de rechtbank in die uitspraak geoordeeld dat zij geen grond ziet voor het oordeel dat de toepassing van WI 2024/6 in iedere zaak zonder meer leidt tot een met het Unierecht strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling. In elke afzonderlijke asielzaak moet worden beoordeeld of de toepassing van WI 2024/6 onrechtmatig is geweest.
13. De prejudiciële vragen die zijn gesteld door deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, gaan onder meer over de situatie waarin een te beperkte invulling aan stap 2a wordt gegeven en een te beperkte toepassing van stap 2b, waardoor mogelijk ten onrechte bewijsstukken buiten beschouwing worden gelaten en een te beperkte invulling wordt gegeven aan de samenwerkingsplicht. In de voorliggende zaak is eiseres echter niet alleen tegengeworpen dat zij onvoldoende documenten/bewijsstukken heeft overgelegd. Eiseres wordt ook verweten dat zij niet samenhangend en aannemelijk heeft verklaard. Gelet hierop voldoet eiseres volgens de minister niet aan artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw. Omdat de afwijzing van de asielaanvraag in deze zaak niet alleen is gebaseerd op het ontbreken van documenten, ziet de rechtbank geen aanleiding de beantwoording van de prejudiciële vragen af te wachten.
Referentiekader
14. Eiseres voert aan dat de minister in de besluitvorming ten aanzien van de geloofwaardigheidsbeoordeling geen rekening heeft gehouden met het tijdsverloop, haar leeftijd, opleidingsniveau en culturele achtergrond.
15. De rechtbank overweegt als volgt. Eiseres heeft niet toegelicht waar in de besluitvorming de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met haar referentiekader. Daarnaast heeft eiseres ook geen concrete aanwijzingen gegeven, waaruit blijkt dat zij in de gehoren bepaalde vragen niet heeft begrepen. Daarbij komt dat de minister in zijn verweer heeft toegelicht dat het dossier geen blijk geeft van specifieke omstandigheden waar de minister in de besluitvorming expliciet rekening mee had moeten houden. Hierbij betrekt de minister de volgende omstandigheden. Eiseres is een volwassen vrouw, is geschoold en heeft gewerkt als verpleegster. Daarnaast volgen er volgens de minister evenmin bijzondere omstandigheden uit het Medifirst-rapport van 7 maart 2024. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiseres. De beroepsgrond slaagt niet.
Geloofwaardigheidsbeoordeling
16. Eiseres heeft beroepsgronden ingediend tegen de beoordeling van haar asielrelaas door de minister. Eiseres voert aan dat de minister de verklaringen over de bedreigingen van Al-Shabaab, vanwege haar werk voor het [bedrijf 1] , ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Zij stelt dat de minister ten onrechte heeft geconcludeerd dat er sprake is van tegenstrijdige en wisselende verklaringen. In dit kader voert eiseres verder aan dat de minister een te strikt toetsingskader hanteert. Eiseres stelt dat niet van haar verwacht kan worden dat zij aantoont dat Al-Shabaab haar telefonisch heeft bedreigd, omdat de maatstaf slechts vereist dat zij dit aannemelijk maakt. De rechtbank zal deze punten hierna bespreken.
Telefonische dreigementen van Al-Shabaab vanwege eiseres haar werk
17. De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres tegenstrijdig heeft verklaard over de telefonische bedreigingen door Al-Shabaab. Voor deze tegenstrijdigheid heeft eiseres geen afdoende verklaring gegeven. In het nader gehoor heeft eiseres aanvankelijk verklaard dat zij wist dat zij werd gebeld door Al-Shabaab, omdat zij contact had opgenomen met het telecombedrijf, dat haar had medegedeeld dat het betreffende nummer van Al-Shabaab was (verslag nader gehoor, pagina 7). Later verklaard eiseres dat het telecombedrijf haar niet had medegedeeld dat het telefoonnummer aan Al-Shabaab toebehoorde, maar dat haar enkel de naam [naam] en woonplaats [plaats 2] waren doorgegeven. Eiseres verklaard hiertoe dat het algemeen bekend is dat leden van Al-Shabaab zich met die naam identificeren en dat [naam] een krachtige naam betreft, die niet als een gangbare Somalische naam wordt beschouwd (verslag nader gehoor, pagina 13). De minister merkt terecht op dat eiseres hiermee haar tegenstrijdigheid niet heeft verklaard. Daarnaast overweegt de rechtbank dat eiseres niet op enigerlei wijze heeft onderbouwd dat leden van Al-Shabaab zich identificeren met de naam [naam] . Dit geldt ook voor de stelling van eiseres dat zij uit de woonplaats van de beller heeft afgeleid dat het om iemand ging van Al-Shabaab.
Inhoud van het tweede en derde telefoongesprek
18. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres wisselend heeft verklaard over de inhoud van het tweede en derde telefoongesprek. Ook ten aanzien van deze wisselende verklaring heeft eiseres geen afdoende verklaring gegeven. In het nader gehoor heeft eiseres aanvankelijk verklaard dat zij bij het tweede dreigtelefoontje van Al-Shabaab twee opties kreeg voorgelegd: óf voor Al- Shabaab werken, óf met iemand van Al-Shabaab trouwen. Bij weigering zou zij hetzelfde lot ondergaan als haar man. Tevens heeft eiseres toen verklaard dat de beller haar 15 dollar heeft gestuurd om een lijkwade te kopen. Later heeft eiseres verklaard dat zij het geld voor de lijkwade pas bij het derde dreigtelefoontje ontving. De enkele verwijzing naar pagina 4 van de correcties en aanvullingen vormt hiervoor geen afdoende verklaring. Bovendien blijkt uit het verslag van het nader gehoor dat eiseres met haar wisselende verklaring over de inhoud van het tweede en derde telefoongesprek is geconfronteerd. Eiseres heeft daarop enkel verklaard dat zij tijdens het tweede telefoongesprek twee opties kreeg voorgelegd en dat haar bij het laatste gesprek is medegedeeld dat zij bij weigering alvast een lijkwade moest kopen (verslag nader gehoor, pagina 14). De minister heeft deze summiere toelichting onvoldoende mogen vinden, aangezien eiseres daarmee niet uitlegt waarom zij wisselend heeft verklaard.
Conclusie geloofwaardigheidsbeoordeling
19. Gelet op het voorgaande heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank het asielrelaas van eiseres niet ten onrechte ongeloofwaardig mogen achten. De overige beroepsgronden die zien op de geloofwaardigheidsbeoordeling door de minister van de verklaringen van eiseres over de bedreigingen door Al-Shabaab behoeven geen bespreking meer. Dit, omdat wat onder rechtsoverweging 17 en 18 is overwogen al de conclusie rechtvaardigt dat de minister niet aannemelijk heeft mogen vinden dat eiseres bedreigd wordt door Al-Shabaab. Om deze reden ziet de rechtbank ook geen aanleiding om eiseres te volgen in haar stelling dat de minister een te strikt toetsingskader hanteert. De beroepsgronden die hierop zien, slagen niet.
Beleid alleenstaande vrouw
20. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte ongeloofwaardig vindt dat zij moet worden aangemerkt als een alleenstaande vrouw. Eiseres voert aan dat de minister haar ten onrechte tegenwerpt dat zij een sociaal netwerk heeft in Somalië. Ter nadere onderbouwing verwijst eiseres naar het schrijven van de Somalische autoriteiten van 9 november 2024, waaruit blijkt dat de echtgenoot van eiseres is vermoord door de Al-Shabaab.
21. De rechtbank stelt vast dat in paragraaf C7/30.3.2.2 van de Vc voor Zuid- en Centraal-Somalië alleenstaande vrouwen als risicoprofiel worden aangemerkt. Of een vrouw in Somalië als alleenstaand wordt gezien en daarom bescherming behoeft, hangt onder meer af van het hebben van een echtgenoot of een persoon met wie zij een duurzame relatie heeft en kan samenwonen, en van de aanwezigheid van grootfamilie. Tot de grootfamilie kunnen naast vader, moeder en kinderen ook grootouders, ooms, tantes, neven en nichten behoren – en eventueel een (plaatselijke) meerderheidsclan waar de vrouw, gelet op haar individuele omstandigheden, voor opvang en bescherming op terug kan vallen.
22. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres haar vrees voor terugkeer, omdat zij als alleenstaande vrouw moet worden aangemerkt, niet aannemelijk heeft gemaakt. De minister heeft kunnen tegenwerpen dat eiseres wisselend heeft verklaard over haar echtgenoot. Eiseres heeft tijdens het aanmeldgehoor van 8 september 2022 verklaard dat zij gescheiden is van haar echtgenoot en dat zij niet weet waar hij is (verslag aanmeldgehoor, pagina 9 en 10). De hoorambtenaar heeft toen ook gevraagd of er relevante gezins- of familieleden zijn overleden. Niet is gebleken dat haar echtgenoot was overleden. Tijdens het nader gehoor van 13 mei 2024 heeft eiseres verklaard dat haar man is overleden (verslag nader gehoor, pagina 3). Eiseres is gevraagd om een toelichting te geven op haar wisselende verklaring. Zij heeft daarbij aangevoerd dat zij tijdens het aanmeldgehoor duidelijk heeft verklaard dat haar echtgenoot is overleden. De tolk heeft volgens eiseres een fout gemaakt. De minister heeft deze toelichting niet afdoende mogen vinden, omdat uit het aanmeldgehoor op geen enkel moment naar voren komt dat eiseres heeft verklaard dat haar echtgenoot is overleden, ondanks de vragen die de hoorambtenaar hierover heeft gesteld. De door eiseres overgelegde overlijdensakte leidt niet tot een andere conclusie. Op de zitting heeft de minister namelijk toegelicht dat de akte is voorgelegd aan Bureau Documenten (BD), dat een neutraal advies heeft uitgebracht. Dit betekent dat BD over onvoldoende vergelijkingsmateriaal beschikt om de echtheid van overlijdensakte te onderzoeken.
23. Bovendien heeft de minister, naar oordeel van de rechtbank, in het bestreden besluit terecht gewezen op de verklaringen van eiseres, waaruit volgt dat zij familieleden in [plaats 1] heeft en daarom niet als alleenstaande vrouw kan worden aangemerkt (verslag aanmeldgehoor, pagina 10, 11 en 12). Ook zijn er geen aanwijzingen dat het feitelijke gezinsverband met haar moeder, (half)broers en (half)zussen is verbroken. De rechtbank vindt in dit kader van belang dat eiseres weet waar haar kinderen, moeder en andere familieleden verblijven en dat zij contacten onderhoudt (verslag nader gehoor, pagina 17). De enkele stelling van eiseres op zitting dat niemand voor haar wil zorgen, heeft de minister onvoldoende mogen vinden om aan te nemen dat eiseres bij terugkeer geen netwerk heeft.
Eiseres heeft aldus niet aannemelijk gemaakt dat zij een alleenstaande vrouw is in de zin van het beleid. De beroepsgrond slaagt niet.
Reëel risico op ernstige schade
Algemene veiligheidssituatie
24. Eiseres voert aan dat zij een reëel risico op ernstige schade loopt. Volgens eiseres staat [wijk] , de plaats waarlangs zij moet reizen om haar woongebied te bereiken, namelijk onder controle van Al-Shabaab. Om die reden is er volgens eiseres sprake van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn (15c). Daarnaast voert eiseres aan dat de minister onvoldoende onderkent dat de veiligheidssituatie in Somalië zodanig zorgelijk is, dat zij ook hierom al bescherming behoeft. Ter onderbouwing beroept eiseres zich met name op de brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 25 mei 2025 over de veiligheidssituatie in [plaats 1] en de aanwezigheid van Al-Shabaab en het rapport ‘Somalia – Security Situation’ van het Asielagentschap van de Europese Unie (EUAA) van mei 2025.
25. De rechtbank overweegt als volgt. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) heeft in het arrest X. en Y. van 9 november 2022 uitleg gegeven over de situatie als bedoeld in 15c (ECLI:EU:C:843). Dit arrest is vervolgens nader toegelicht in de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2927). De Afdeling oordeelde dat er sprake is van een dergelijke situatie, wanneer de mate van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict zo hoog is, dat iemand alleen door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico op ernstige schade loopt. Daarnaast kan er sprake zijn van een minder uitzonderlijke situatie, wanneer de vreemdeling met zijn individuele omstandigheden aannemelijk maakt dat hij een verhoogd risico op ernstige schade loopt.
26. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich, onder verwijzing naar het algemeen ambtsbericht Somalië van april 2025, voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van 15c. De rechtbank stelt vast dat eiseres afkomstig is uit [plaats 1] . Voor [plaats 1] heeft de minister bepaald dat sprake is van een 15c-situatie in de laagste gradatie (paragraaf C2/30.4.1.1 van de Vc). De minister heeft zich hierbij mogen baseren op het algemeen ambtsbericht Somalië van april 2025, waaruit blijkt dat [plaats 1] in naam (nog) onder controle van de federale regering staat. Daarnaast overweegt de rechtbank dat uit eerdere rechtspraak van de Afdeling blijkt dat een reëel risico op ernstige schade zich in het algemeen niet voordoet bij vestiging in [plaats 1] (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 25 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3805, r.o. 3.3). De door eiseres aangehaalde informatie biedt onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat de algemene veiligheidssituatie in Somalië wezenlijk anders is dan in het landgebonden beleid van de minister is vastgelegd. Zo blijkt uit de stukken niet dat de wijk [wijk] in [plaats 1] onder controle staat van Al-Shabaab. De rechtbank volgt eiseres dan ook niet in haar stelling dat zij bij terugkeer door een gebied moet reizen dat onder controle staat van Al-Shabaab en waar sprake is van een 15c-situatie.
27. Voor zover eiseres stelt dat er sprake is van een reëel risico op ernstige schade vanwege haar werk voor het [bedrijf 1] , overweegt de rechtbank dat de enkele omstandigheid dat eiseres in het verleden heeft gewerkt voor een internationale organisatie op zichzelf onvoldoende is om een verhoogd risico op ernstige schade vanwege willekeurig geweld aan te nemen. Hierbij vindt de rechtbank van belang dat uit het beleid van de minister volgt dat een vreemdeling die afkomstig is uit een gebied dat niet onder controle staat van Al- Shabaab (inclusief [plaats 1] ) en die zich erop beroept dat hij door Al-Shabaab geassocieerd wordt met de overheid, ATMIS/AUSSOM of andere internationale actoren dit aannemelijk moet maken (paragraaf C7/30.3.2.1 van de Vc). Eiseres heeft dit niet gedaan. Hiertoe heeft de rechtbank onder overwegingen 16 tot en met 19 reeds geoordeeld, dat de minister de bedreigingen door Al-Shabaab vanwege het werk van eiseres niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Verder heeft de rechtbank onder overwegingen 20 tot en met 23 geoordeeld dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden van het beleid over alleenstaande vrouwen in Somalië, waardoor zij evenmin om die reden in aanmerking komt voor internationale bescherming.
28. Gelet op het voorgaande is de minister deugdelijk gemotiveerd tot de conclusie gekomen dat eiseres bij terugkeer naar [plaats 1] geen reëel risico loopt op ernstige schade. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

29. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. F.J. Attema, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
24 oktober 2025

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.