Eiser, een Turkse Koerd, diende een asielaanvraag in na politieke activiteiten en detentie in Turkije wegens vermeende betrokkenheid bij de PKK. De minister wees de aanvraag af wegens ongeloofwaardigheid van de politieke activiteiten en nieuwe vervolging.
De rechtbank beoordeelde de geloofwaardigheid aan de hand van Werkinstructie 2024/6 en oordeelde dat de minister de geloofwaardige feiten onvoldoende heeft getoetst op zwaarwegendheid. De geloofwaardige feiten betreffen de eerdere strafrechtelijke vervolging en sympathie voor de DEM-partij.
De rechtbank vond dat de minister de aanvraag niet zorgvuldig heeft gemotiveerd en onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de documenten, maar dat de samenwerkingsverplichting is nagekomen. De afwijzing wordt vernietigd en de minister krijgt zes weken om een nieuw besluit te nemen.
Eiser krijgt een proceskostenvergoeding van €1.814,-. De rechtbank ziet geen aanleiding tot een bestuurlijke lus of zelf in de zaak voorzien. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag.