ECLI:NL:RBDHA:2025:20215
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen ophouding op grond van Vreemdelingenwet 2000
Eiser werd op 2 oktober 2025 opgehouden door verweerder op grond van artikel 50, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde dat deze ophouding onrechtmatig en disproportioneel was, omdat hij hoger beroep had ingesteld tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en een verzoek om voorlopige voorziening had ingediend. Tevens voerde eiser aan dat het DT&V-dossier, relevant voor zijn verblijfsrechtelijke positie, niet was toegevoegd aan het procesdossier.
De rechtbank overwoog dat vanaf 16 oktober 2025 een terugkeerbesluit van kracht was en dat het instellen van rechtsmiddelen geen schorsende werking had. Verweerder was daarom bevoegd om eiser op te houden. Het feit dat eiser uiteindelijk niet in bewaring werd gesteld, was te wijten aan een misverstand over zijn verblijfsrechtelijke positie en maakte de ophouding niet onzorgvuldig.
De rechtbank achtte de verblijfsrechtelijke positie en identiteit van eiser niet in geschil en zag geen aanleiding het DT&V-dossier toe te voegen. Gezien deze omstandigheden werd het beroep ongegrond verklaard en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de ophouding is ongegrond verklaard en de ophouding is rechtmatig bevonden.