ECLI:NL:RBDHA:2025:20220

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 oktober 2025
Publicatiedatum
31 oktober 2025
Zaaknummer
NL25.41870, NL25.41871
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 lid 1 onder c DublinverordeningArt. 15c KwalificatierichtlijnArt. 16 lid 1 DublinverordeningArt. 17 lid 1 DublinverordeningArtikel 30 lid 1 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser, met de Soedanese nationaliteit, diende op 15 april 2025 een asielaanvraag in Nederland in, terwijl hij nog een geldig visum voor Spanje had. Verweerder nam de aanvraag niet in behandeling omdat Spanje volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is. Nederland deed een overnameverzoek aan Spanje, dat werd aanvaard.

Eiser voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet geldt vanwege een inbreukprocedure tegen Spanje en slechte opvangomstandigheden, onderbouwd met het AIDA-rapport 2024. De rechtbank volgde dit niet, verwijzend naar eerdere uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak die het vertrouwensbeginsel bevestigen.

Eiser stelde ook dat overdracht onevenredig is vanwege familiebanden, trauma's en zijn opleiding. De rechtbank oordeelde dat deze omstandigheden geen bijzondere individuele omstandigheden vormen die overdracht verhinderen. Tevens werd het korte Dublin-gehoor niet onzorgvuldig bevonden omdat eiser voldoende gelegenheid had om zijn situatie toe te lichten.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Verweerder mag de asielaanvraag niet in behandeling nemen en eiser kan worden overgedragen aan Spanje.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.41870 (beroep)
NL25.41871 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , eiser/verzoeker, hierna: eiser

V-nummer: [#]
(gemachtigde: mr. P.J. Schüller),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. Y.M. van der Lei).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 1 september 2025 niet in behandeling genomen omdat hij Spanje daarvoor verantwoordelijk acht.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 9 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde waren niet aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Waarover gaat deze uitspraak?
2. De rechtbank concludeert in deze uitspraak dat verweerder eisers asielaanvraag niet in behandeling heeft hoeven nemen, omdat Spanje daarvoor verantwoordelijk is. Dit hoewel het gehoor van eiser erg kort was. Het beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. De rechtbank legt hierna uit, aan de hand van de beroepsgronden van eiser, hoe zij tot dat oordeel is gekomen.
Wat betrekt de rechtbank in haar beoordeling?
3. Eiser stelt de Soedanese nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1979. Gebleken is dat Spanje aan eiser een visum heeft verleend met een geldigheidsduur van 8 april 2024 tot 23 juni 2025. Eiser heeft op 15 april 2025 een asielaanvraag ingediend in Nederland. Het visum voor Spanje was dus nog geldig op het moment van eisers asielaanvraag in Nederland.
3.1.
De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening [1] . Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan [2] . In dit geval heeft Nederland bij Spanje een overnameverzoek gedaan op 2 mei 2025. Spanje heeft dit verzoek op 28 mei 2025 aanvaard.
Heeft verweerder ten aanzien van Spanje mogen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
4. Eiser voert aan dat ten aanzien van Spanje niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Onder verwijzing naar het AIDA-rapport over 2024 [3] benoemt eiser de inbreukprocedure [4] die door de Europese Commissie tegen Spanje is gestart vanwege de opvangomstandigheden. Eiser benoemt dat dit een zwaar middel is dat wordt ingezet wanneer het gaat om systematische problemen en het niet-nakomen van Unierechtelijke verplichtingen. Bovendien blijkt uit het AIDA-rapport over 2024 dat de Spaanse autoriteiten in 2023 twee maanden kregen om de situatie te herstellen, maar dat de zaak nog steeds voorligt en dat de situatie niet is verbeterd. Eiser vreest hierdoor bij een overdracht aan Spanje slachtoffer te worden van de structurele en ernstige tekortkomingen in de asielprocedure van Spanje.
5. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat de inbreukprocedure niet tot de conclusie leidt dat er ten aanzien van Spanje niet meer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De omstandigheid dat deze procedure is gestart is op zichzelf onvoldoende om aan te tonen dat Spanje structurele tekortkomingen heeft in de opvangvoorzieningen. [5] In de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 24 juni 2024 [6] , heeft de Afdeling het AIDA-rapport over 2023 [7] beoordeeld en geconcludeerd dat dit AIDA-rapport geen wezenlijk ander beeld schetst van de opvangsituatie in Spanje voor Dublinclaimanten dan de eerdere AIDA-rapporten. Daarmee impliceert de Afdeling dat verweerder nog van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan ten aanzien van Spanje. De Afdeling heeft dit oordeel herhaald in de uitspraak van 5 februari 2025. [8] Eiser verwijst in deze procedure naar het AIDA-rapport over 2024. Hierover heeft de Afdeling zich nog niet uitgelaten. De rechtbank is van oordeel dat uit de door eiser aangehaalde passages op pagina 109 van het AIDA-rapport over 2024 geen wezenlijk ander beeld naar voren komt over de opvangsituatie in Spanje voor Dublinclaimanten dan uit het AIDA-rapport 2023 en de eerdere AIDA-rapporten. Mocht eiser in Spanje toch problemen ervaren, dient hij zich hiervoor wenden tot de Spaanse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit voor hem niet mogelijk is of dat de Spaanse autoriteiten hem niet zouden kunnen of willen helpen.
5.1.
Verweerder mag ten aanzien van Spanje uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder eisers asielaanvraag in behandeling moeten nemen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening?
6. Eiser voert aan dat overdracht aan Spanje onevenredig is, gelet op zijn bijzondere individuele omstandigheden. Eiser stelt dat hij afhankelijk is van de hulp van zijn broer in Nederland en daarom met zijn broer wil worden herenigd. Daarnaast is eiser getraumatiseerd door recentelijk verlies van zijn familieleden, waaronder zijn broertje. Aangezien de Dublinverordening het belang van gezinsleven voorop stelt, [9] dient verweerder eisers aanvraag in behandeling te nemen. Verder heeft eiser gestudeerd en wil hij zo snel mogelijk aan het werk in Nederland als apotheker. Hij zal de Nederlandse Staat om deze redenen niet tot last zijn. Tot slot benoemt eiser het op 27 juni 2024 gepubliceerde Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 13 juni 2024, nummer WBV 2024/12, in combinatie met artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn [10] , op grond waarvan hij stelt een verblijfsvergunning te kunnen krijgen als zijn asielverzoek in Nederland in behandeling wordt genomen. Voornoemde bijzondere omstandigheden dienen er volgens eiser toe te leiden dat verweerder zijn discretionaire bevoegdheid op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening toepast en de aanvraag van eiser onverplicht in behandeling neemt.
7. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat in eisers situatie geen sprake is van bijzondere omstandigheden die ertoe leiden dat overdracht aan Spanje van onevenredige hardheid getuigt. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.
8. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening en paragraaf C2/5 (onder het kopje ‘discretionaire bepalingen’), van de Vreemdelingencirculaire (Vc) trekt verweerder een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. In paragraaf C2/5 van de Vc staat verder dat verweerder terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening, als Nederland daartoe op grond van de Dublinverordening niet verplicht is.
9. De rechtbank volgt verweerders standpunt dat de omstandigheid dat eiser een broer heeft die hem (financieel) steunt en wil helpen met integreren, niet is te kwalificeren als bijzondere omstandigheid. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van afhankelijkheid als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Dublinverordening. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er in het land van herkomst al familiebanden waren en dat eiser en zijn broer tot hetzelfde gezin behoren. Verder heeft eiser niet met medische documenten onderbouwd dat hij getraumatiseerd is en hier in Nederland voor zou moeten worden behandeld. Met betrekking tot eisers opleiding in combinatie met zijn werk als apotheker en het beroep op de WBV 2024/12 en artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn, stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat in deze procedure alleen wordt bekeken welk land inhoudelijk verantwoordelijk is voor de aanvraag. Het gaat niet om de inhoud van het verzoek. Eisers asielmotieven kunnen naar voren worden gebracht bij de autoriteiten van Spanje.
10. Gelet op het voorgaande heeft verweerder in de door eiser aangevoerde omstandigheden geen grond hoeven zien voor het oordeel dat overdracht van eiser aan Spanje van onevenredige hardheid getuigt. Er is daarom geen aanleiding om de asielaanvraag van eiser onverplicht in behandeling te nemen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder het Dublingehoor zorgvuldig uitgevoerd?
11. Eiser beroept zich tot slot op een zorgvuldigheidsgebrek tijdens zijn gehoor. Het valt de gemachtigde van eiser op dat de werkwijze bij Dublingehoren deze zomer is veranderd. De gehoren zijn aanzienlijk ingekort ten opzichte van een aantal maanden geleden. Waar eerder door middel van een overzichtelijke vraagstructuur werd getracht de volledige situatie in kaart te brengen, volstaat verweerder nu met twee tot drie algemene vragen: heeft u de brochures begrepen; heeft u bezwaren tegen overdracht; zijn er bijzondere redenen waarom u internationale bescherming in Nederland aanvraagt? Eiser vindt het onzorgvuldig dat er tijdens het gehoor weinig vragen zijn gesteld, niet is gevraagd naar eerdere ervaringen van eiser en niet is gevraagd of hij familie heeft in Nederland. Volgens overweging 18 van de considerans van de Dublinverordening moet naar aanwezigheid van familieleden worden gevraagd tijdens het 'persoonlijk onderhoud'. Eiser verwijst tevens naar artikel 4, eerste lid en onder c, van de Dublinverordening. Volgens eiser houdt de nieuwe werkwijze van Dublingehoren in dat verweerder volstaat met brochures, een toelichting voorafgaand aan het gehoor en enkele algemene vragen. Hierbij gaat verweerder er ten onrechte vanuit dat een vreemdeling tijdens het gehoor kan onthouden wat allemaal relevant kan zijn, aldus eiser.
12. De rechtbank is van oordeel dat het Dublingehoor niet onzorgvuldig is geweest en volgt hierin het standpunt van verweerder. Eiser is gevraagd of hij bezwaren heeft tegen een overdracht aan Spanje, waarop eiser uitdrukkelijk heeft aangegeven geen bezwaren te hebben. Aan eiser zijn twee brochures uitgereikt vóór aanvang van het gehoor en op de inhoud daarvan is tijdens het gehoor uitgebreid gewezen. Daardoor kon eiser weten welke omstandigheden hij specifiek bij het gehoor naar voren kon brengen. Eiser gaf vervolgens aan geen vragen te hebben naar aanleiding van deze brochures. Ook is aan eiser gevraagd of er een bijzondere reden is dat hij juist in Nederland om internationale bescherming heeft verzocht. Eiser heeft toen aangegeven dat hij hier een broer heeft die hier ongeveer vijfentwintig jaar woont, maar nu tijdelijk bij de Verenigde Naties werkt in Afrika. Na afloop van het gehoor heeft eiser geen correcties en aanvullingen gestuurd.
13. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat een summier gehoor niet per definitie leidt tot onzorgvuldige besluitvorming. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd waarom er in zijn geval te weinig vragen zijn gesteld of waarom hij door de werkwijze van verweerder om andere reden onzorgvuldig is behandeld. Gebleken is dat eiser voldoende gelegenheid heeft gehad om relevante informatie aan het licht te brengen tijdens zijn gehoor. Het gehoor was in het geval van eiser kort en duurde slechts een halfuur, maar het was voldoende uitgebreid om alle relevante informatie aan het licht te brengen. Overigens is ook niet gebleken dat eiser is geschaad in zijn belangen door de wijze van horen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat verweerder eiser mag overdragen aan Spanje.
14.1.
Gezien deze beslissing over het beroep, is er geen grond meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst om deze reden het verzoek daartoe af.
14.2.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat in beide zaken geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. A.V. Kostiouk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 604/2013.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.‘Country Report: Spain 2024 Update’, gepubliceerd in 2025 (AIDA-rapport over 2024).
4.AIDA-rapport over 2024, p. 109.
5.Zie ook de uitspraak van de deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg van 11 september 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:16857) en deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht van 28 augustus 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:16113).
7.‘Country Report: Spain 2023 Update’, gepubliceerd in mei 2024 (AIDA-rapport over 2023).
9.Overweging 16 van de Dublinverordening.
10.Richtlijn 2011/95/EU, 13 december 2011.