ECLI:NL:RBDHA:2025:2033

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 januari 2025
Publicatiedatum
14 februari 2025
Zaaknummer
NL24.50713
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 DublinverordeningArt. 3 EVRM
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring beroep tegen verlenging overdrachtstermijn wegens onderduiken in Dublinprocedure

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie tot verlenging van de overdrachtstermijn in het kader van de Dublinverordening. Dit besluit is genomen omdat eiser zich zou hebben ondergedoken, waardoor de overdrachtstermijn verlengd kan worden tot maximaal achttien maanden.

De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2025 behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet zijn verschenen. Verweerder werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. De rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van onderduiken, verwijzend naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak en het Hof van Justitie van de EU.

Uit het dossier blijkt dat eiser zich niet heeft gemeld voor zijn geplande vlucht en sindsdien niet aan zijn meldplicht heeft voldaan. De rechtbank acht het niet noodzakelijk dat verweerder het besluit toetst aan artikel 3 EVRM Pro, omdat het overdrachtsbesluit in rechte vaststaat.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst een proceskostenveroordeling af. De uitspraak is openbaar gemaakt en eiser is gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week na verzending van het vonnis.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep tegen de verlenging van de overdrachtstermijn wegens onderduiken ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.50713
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. H.J. Toonders).

Procesverloop

Bij brief van 11 december 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder zijn besluit tot verlenging van de overdrachtstermijn bekend gemaakt.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2025 op zitting behandeld in Breda. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met een voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Uit artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening volgt dat indien de overdracht niet plaatsvindt binnen de gestelde termijn van zes maanden, de verplichting voor de verantwoordelijke lidstaat om de vreemdeling over te nemen of terug te nemen komt te vervallen. De verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvraag van die vreemdeling gaat dan over op de verzoekende lidstaat. De termijn van overdracht kan tot maximaal achttien maanden worden verlengd als de vreemdeling onderduikt.
2. Verweerder heeft de overdrachtstermijn verlengd wegens onderduiken, zoals blijkt uit de brief van 11 december 2024 van verweerder aan de autoriteiten van Slovenië. Uit de brief van dezelfde datum blijkt dat eiser over dit besluit is geïnformeerd. Daaruit blijkt ook dat tegen dit besluit een beroep openstaat. In zijn gronden van beroep stelt eiser zich op het standpunt dat in het besluit enkel staat dat de overdrachtstermijn is verlengd en niet is gemotiveerd dat en waarom er sprake zou zijn van onderduiken in de zin van de Dublinverordening.
3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat er sprake is van onderduiken. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3630, en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:C:EU:2019:218 (Jawo), waarin uitleg is gegeven over wanneer sprake is van onderduiken in de zin van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat het besluit dat verweerder heeft genomen een verlengingsbesluit is en de motivering daarvoor is dat eiser is ondergedoken. De rechtbank acht dit voldoende gemotiveerd. Uit het dossier blijkt verder dat eiser zich niet heeft gemeld voor zijn vlucht van 10 december 2024 naar Ljubljana. Er is echter op 3 december 2024 wel een vertrekgesprek gevoerd met eiser waarin de vluchtgegevens zijn gedeeld. Op 9 december 2024 is de taxi aangekondigd, maar op 10 december 2024 is eiser niet ingestapt. Sindsdien heeft hij ook niet meer aan zijn meldplicht voldaan.
4. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet was gehouden om aan het artikel 3 van Pro het EVRM [1] te toetsen in het kader van het overdrachtsbesluit. Het overdrachtsbesluit staat immers in rechte vast en staat hier niet ter beoordeling.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 16 januari 2025 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.