ECLI:NL:RBDHA:2025:20334

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 oktober 2025
Publicatiedatum
3 november 2025
Zaaknummer
SGR 24/1817
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.10 WaboArt. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 7:3 AwbBouwbesluit 2012
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen omgevingsvergunning legalisering dakterras

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft verleend voor het vergroten van een dakkapel en het maken van een dakterras ter legalisering van een bestaande situatie. Het primaire besluit dateert van 17 november 2023 en het bezwaar werd op 17 december 2023 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep op 28 oktober 2025 behandeld en direct mondeling uitspraak gedaan. De toetsing van de aanvraag vond plaats op basis van artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo, waarbij een limitatief-imperatief stelsel geldt. Dit betekent dat het college alleen kan weigeren indien een weigeringsgrond aanwezig is; anders moet de vergunning worden verleend.

De rechtbank constateerde dat de woning binnen het bestemmingsplan valt en voldoet aan de maximale bouwhoogte. Er is geen onderbouwd bezwaar tegen het voldoen aan het Bouwbesluit en geen andere weigeringsgronden zijn aangevoerd. Belangenafwegingen zoals geluidsoverlast of onveiligheid kunnen bij een gebonden beschikking niet worden meegewogen. Het college mocht bovendien afzien van het horen in bezwaar vanwege het kennelijk ongegronde bezwaar. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en eiseres krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.

Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard en de vergunning blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/1817
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. E.B. Jobse)
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college

(gemachtigde: mr. P. Yildirim).
als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde-partij], uit [plaats] , vergunninghoudster
(gemachtigde: mr. J.E. van der Holst).

Inleiding

1. Dit proces-verbaal bevat de mondelinge uitspraak van de rechtbank op het beroep van eiseres tegen de verleende omgevingsvergunning voor het veranderen en vergroten van de woning aan de [adres] in [plaats] door het vergroten van de dakkapel en het maken van een dakterras ter legalisering van een al bestaande situatie.
1.1.
Met het primaire besluit van 17 november 2023 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Met het bestreden besluit op bezwaar van 17 december 2023 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
1.2.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghoudster heeft op het beroep gereageerd met een schriftelijke reactie en een aanvulling daarop.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 28 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van het college, vergunninghoudster en mr. drs. A. Durmus, kantoorgenote van mr. Van der Holst, voornoemd.
1.4.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

3. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
3.1.
In deze zaak gaat het om de aanvraag voor het verlenen van een omgevingsvergunning ter legalisering van een al bestaand bouwwerk als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo [1] . Het college moet deze aanvraag toetsen aan artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo. Bij deze toetsing geldt een zogenoemd limitatief-imperatief stelsel, wat inhoudt dat het college moet beoordelen of zich één of meer van de weigeringsgronden uit artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo voordoen. Als dat niet het geval is, moet de gevraagde vergunning worden verleend. Er is dan sprake van een gebonden beschikking, waarbij het college geen ruimte heeft om een belangenafweging te maken.
3.2.
Die situatie doet zich hier voor. Bij de beoordeling van de aanvraag is het college niet gebleken dat één van de in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo bedoelde weigeringsgronden zich voordoet. De woning valt onder het bestemmingsplan “Statenkwartier”. Ter plaatse geldt een woonbestemming en een maximale bouwhoogte van 14 meter. Vast staat dat het bouwplan hieraan voldoet.
3.3.
Verder is ter zitting aangevoerd dat niet aan het Bouwbesluit [2] zou worden voldaan, maar dat is niet onderbouwd. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat aannemelijk is dat aan het Bouwbesluit wordt voldaan. Verder is niet aangevoerd dat een van de andere weigeringsgronden van artikel 2.10 van de Wabo zich voordoet.
3.4.
Dat betekent dat het college verplicht was om de vergunning te verlenen. Voor het meewegen van de belangen van eiseres, zoals de door haar ervaren geluidsoverlast en onveiligheid, bestaat dan geen mogelijkheid. Ook het door de verhuurder niet voldoen aan de Wet goed verhuurderschap is geen aspect dat het college kan laten meewegen bij het verlenen van een omgevingsvergunning.
3.5.
Verder is de aanvraag om het verlenen van de omgevingsvergunning ingediend op 4 juli 2023. Dat betekent dat de aanvraag dateert van vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet. In artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet staat dat in dat geval het oude recht dat is openomen in de Wabo, van toepassing blijft. Voor toepassing van de Omgevingswet is daarom geen ruimte.
3.6.
Ten slotte kan het college op grond van artikel 7:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht afzien van het horen in bezwaar als het ingediende bezwaarschrift kennelijk ongegrond is. Dat betekent dat het bezwaar hoogstwaarschijnlijk niet tot een ander besluit zou leiden. Nu het in dit geval gaat om een gebonden beschikking en geen van de weigeringsgronden van toepassing is, is hiervan sprake. Het college heeft daarom kunnen besluiten om eiseres niet te horen.
3.7.
Het beroep is daarom ongegrond.
4. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiseres het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
5. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2025 door mr. J. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Gerde, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
2.Bouwbesluit 2012.