ECLI:NL:RBDHA:2025:20337

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 november 2025
Publicatiedatum
3 november 2025
Zaaknummer
NL25.48573
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30a Vreemdelingenwet 2000Art. 17 DublinverordeningArt. 24 Eurodac-verordening (603/2013)Art. 9 Eurodac-verordening (603/2013)Art. 14 Eurodac-verordening (603/2013)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke toetsing niet-ontvankelijkverklaring asielaanvraag Griekse statushouder

Eiser, een Eritrese nationaliteit, diende op 30 mei 2024 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder verklaarde deze aanvraag op 6 oktober 2025 niet-ontvankelijk op grond van het vermeende bestaan van een internationale beschermingsstatus in Griekenland. De rechtbank stelde ambtshalve vast dat uit het dossier en het nader gehoor niet blijkt dat eiser daadwerkelijk een internationale beschermingsstatus heeft ontvangen, ondanks registratie in Eurodac van een illegale inreis en asielaanvraag in Griekenland.

De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de statusverlening door Griekenland, geen contact heeft opgenomen met Griekse autoriteiten en zich onterecht heeft gebaseerd op de enkele verklaring van eiser. Het beleid om beslistermijnen te laten vollopen en af te wachten of de situatie in Griekenland verbetert, werd als buitengewoon kwalijk beoordeeld. Tevens ontbrak transparantie over de beoordeling van zelfredzaamheid van Griekse statushouders.

De rechtbank concludeerde dat verweerder niet bevoegd was de asielaanvraag niet-ontvankelijk te verklaren en dat deze inhoudelijk moet worden beoordeeld. De verklaringen van eiser over zijn vrees voor militaire dienstplicht en illegale uitreis zijn consistent en passen binnen het landgebonden beleid voor Eritrea. Verweerder werd opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van deze uitspraak. Het beroep werd gegrond verklaard en verweerder werd veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Beroep gegrond verklaard en asielaanvraag inhoudelijk herbeoordeeld binnen zes weken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.48573

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [geboortedatum] 2002, Eritrese nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer],
eiser,
(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).

Procesverloop

Eiser heeft op 30 mei 2024 een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
Verweerder heeft met het bestreden besluit van 6 oktober 2025 deze aanvraag in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft daarnaast verzocht om een voorlopige voorziening (NL25.48574).
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 31 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Eiser is geboren in Eritrea en heeft verklaard dat hij nadat hij zijn land van herkomst is ontvlucht, twee jaar in Ethiopië en twee jaar in Oeganda heeft verbleven en vervolgens naar Turkije is gereisd. Eiser heeft verder verklaard dat hij vanuit Turkije via Griekenland de Unie is ingereisd en in Griekenland zijn vingerafdrukken moest afstaan. Eiser heeft in het aanmeldgehoor dat heeft plaatsgevonden op 14 juli 2024, verklaard dat hij in een opvangkamp op een Grieks eiland moest verblijven en na enige tijd een reisdocument heeft gekregen waarin zijn eigen gegevens stonden en waarmee hij door Europa kon reizen. Hij is naar Brussel gereisd en daar is zijn kleding en zijn reisdocument gestolen.
In het verslag van het aanmeldgehoor heeft de hoormedewerker opgemerkt dat in Eurodac een illegale inreis in Griekenland op 6 maart 2024 is geregistreerd. Tevens is vermeld dat aan eiser is medegedeeld dat hij op een later moment een nader gehoor krijgt om zijn asielmotieven naar voren te brengen.
3. Het nader gehoor heeft ruim een jaar later, op 30 september 2025, plaatsgevonden. Het verslag van dit gehoor beslaat 25 pagina’s, waarvan 23 pagina’s zien op de verklaringen die eiser heeft afgelegd over zijn vrees om in Eritrea in militaire dienst te moeten en over zijn illegale uitreis uit Eritrea. Eiser is in dit gehoor gevraagd om toestemming te verlenen om zijn dossier in Griekenland op te vragen, welke toestemming eiser heeft verleend. De rechtbank merkt op dat uit het dossier dat verweerder aan de rechtbank en eiser ter beschikking heeft gesteld niet blijkt dat verweerder contact heeft opgenomen met de Griekse autoriteiten. De rechtbank gaat er van uit dat verweerder begrijpt dat het opnemen van dergelijk contact en de resultaten daarvan onderdeel uit moeten maken van het dossier. Twee pagina’s van het verslag van het nader gehoor zijn gewijd aan de verslaglegging van de vragen over het verblijf van eiser in Griekenland en de antwoorden van eiser op deze vragen. Op de vraag of eiser internationale bescherming heeft verkregen heeft eiser verklaard dat hij bescherming heeft gekregen, een identificerend document voor één jaar en een document dat op een paspoort lijkt heeft gekregen. Na de ontvangst hiervan moest hij het opvangkamp verlaten. Omdat eiser geen huisvesting had en niemand kende heeft hij zijn broer gebeld en hem gevraagd of hij een vliegticket voor hem kon kopen. Eiser heeft verklaard dat nadat de opvang moet worden verlaten, geen ondersteuning, onderwijs, huisvesting of werk kan worden verkregen. Eiser heeft voorts verklaard de Griekse taal niet te spreken. Eiser stelt van 6 maart 2024 tot 24 mei 2024 in Griekenland te hebben verbleven.
4. Verweerder heeft in het voornemen vermeld dat uit Eurodac blijkt dat eiser in Griekenland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend en dat eiser heeft verklaard dat aan hem internationale bescherming is verleend. Verweerder heeft op grond van deze twee omstandigheden geconcludeerd dat de Griekse autoriteiten aan eiser een internationale beschermingsstatus hebben verleend. Verweerder heeft overwogen dan van eiser mag worden verwacht dat hij zelfredzaam is en de nodige inspanningen verricht om hulp te zoeken bij de Griekse autoriteiten. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard en eiser opgedragen om zich onmiddellijk naar Griekenland te begeven en heeft daarbij meegedeeld dat indien eiser niet terugkeert, hij kan worden uitgezet.
5. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder enkel heeft gekeken naar het formele bestaan van een status, maar had moeten onderzoeken of eiser daadwerkelijk toegang zou hebben tot bescherming en de rechten die voortvloeien uit de verleende status. Volgens eiser is sprake van een onzorgvuldige voorbereiding en van motiveringsgebreken. Eiser heeft geen band met Griekenland, verweerder heeft geen rekening gehouden met de individuele kwetsbaarheid van eiser en verweerder had zijn discretionaire bevoegdheid van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening moeten gebruiken. Tot slot heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet absoluut is.
6. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en motiveert dit als volgt.
7. Eiser heeft verklaard dat aan hem door de Griekse autoriteiten internationale bescherming is verleend en verweerder gaat hier van uit omdat, zoals in het voornemen is vermeld, ‘dit blijkt uit uw verklaringen’. De rechtbank heeft verweerder ter zitting gevraagd of verweerder uitsluitend op de verklaringen van eiser is afgegaan omdat uit de in het dossier gevoegde Eurodac-uitdraai wel blijkt dat op 6 maart 2024 en 11 maart 2024 vingerafdrukken van eiser door de Griekse autoriteiten zijn afgenomen, maar niet is vermeld op welke datum internationale bescherming zou zijn verleend. Ook is niet vermeld of aan eiser vluchtelingrechtelijke dan wel subsidiaire bescherming is verleend. Verweerder heeft desgevraagd toegelicht dat de statusverlening blijkt uit de zogenoemde Eurodac-codes die in het geval van eiser een ‘GR1’ en een ‘GR2’ zijn, waarbij met GR. Griekenland is bedoeld. Verweerder heeft verder aangegeven dat in de Bijlage bij de Eurodac-verordening (Verordening 603/2013) is vermeld wat deze codes betekenen.
8. De rechtbank volgt dit niet. De rechtbank overweegt allereerst dat de Griekse autoriteiten verplicht zijn om de datum van de toekenning van de internationale beschermingsstatus te registreren. Indien verweerder in de procedure van eiser wil uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, zal verweerder moeten motiveren waarom hij - kennelijk- geen gewicht toekent aan het niet voldoen aan deze Unierechtelijke registratieplicht door de Griekse autoriteiten. Verweerder heeft ook geen contact opgenomen met de Griekse autoriteiten om na te gaan of aan eiser internationale bescherming is verleend of wellicht een vergunning is verleend op grond van nationale regelgeving of beleid. Dit had verweerder wel moeten doen, want alleen als de Griekse autoriteiten aan eiser internationale bescherming hebben verleend, heeft verweerder – in beginsel- op grond van artikel 33, tweede lid, onder a, van richtlijn 2013/32 de bevoegdheid om de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk te verklaren. Indien de Griekse autoriteiten aan eiser een andere, nationaalrechtelijke, verblijfsvergunning of toestemming voor verblijf hebben gegeven, zou de Dublinverordening mogelijk van toepassing kunnen zijn. Op grond van Afdelingsjurisprudentie is het verweerder evenwel verboden om Dublinoverdrachten naar Griekenland uit te voeren. Dit ontslaat verweerder echter niet om na te gaan of eiser wel een zogenoemde ‘statushouder’ is en zich dus te vergewissen of eiser een verblijfsvergunning heeft die hem toestaat terug te keren naar Griekenland en daar te verblijven en of deze vergunning een Unierechtelijke grondslag heeft.
9. De rechtbank is voorts nagegaan wat de codes ‘1’ en ‘2’ betekenen omdat dit niet blijkt uit het ‘Resultaat bevraging systeem obv biometrie’ die op 30 mei 2024 is uitgedraaid.
Anders dan verweerder ter zitting heeft betoogd, zien de vermeldingen van de nummers 1 en 2 na de landcode
nietop de status die is verleend.
10. Een dergelijke registratie, onder categorie 1, is gelet op artikel 24, vierde lid, gelezen in verbinding met artikel 9, eerste lid, van de Eurodac-verordening (603/2013) gereserveerd voor personen die verzoeken om internationale bescherming en een dergelijke registratie onder categorie 2, is gelet op artikel 24, vierde lid, gelezen in verbinding met artikel 14, eerste lid, van de Eurodac-verordening, gereserveerd voor, kort gezegd, derdelanders die illegaal de buitengrens overschrijden.
11. De rechtbank overweegt dus dat de vermelding ‘1’ bij een treffer betekent dat er een match is omdat de betrokkene een asielaanvraag heeft ingediend in een andere lidstaat en een vermelding van een ‘2’ duidt op een illegale inreis in de Unie. Uit het dossier zoals verweerder dat ter beschikking heeft gesteld en op grond waarvan de rechtbank dus tezamen met het bevindingen van het onderzoek ter zitting uitspraak doet, blijkt dat in Eurodac is geregistreerd dat eiser op 6 maart 2024, zoals eiser ook heeft verklaard, illegaal de Unie via Griekenland is ingereisd en op 11 maart 2024 een asielaanvraag heeft ingediend. Eiser heeft verklaard geen asielaanvraag in te hebben willen dienen in Griekenland. Op grond van Afdelingsjurisprudentie mag verweerder echter een registratie met een landcode gevolgd door een 1. aanmerken als de registratie van een asielverzoek omdat uit lijst A van bijlage II bij de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 118/2014 (PB 2014 L 39) volgt dat een dergelijke registratie geldt als bewijs van een verzoek om internationale bescherming tenzij de vreemdeling tegenbewijs heeft geleverd. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 28 september 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2625). Eiser heeft geen tegenbewijs geleverd, maar enkel verklaard dat hij geen asielverzoek wilde indienen.
12. Het uitgangspunt is dat verweerder een verzoek om internationale bescherming inhoudelijk behandelt. In richtlijn 2013/32 heeft de Uniewetgever een limitatieve opsomming gegeven van de situaties waarin verweerder een bevoegdheid heeft om van dit uitgangspunt af te wijken. Omdat verweerder de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk wil verklaren, zal verweerder moeten aantonen dat hij hiertoe bevoegd is. Verweerder heeft dit niet gedaan. De rechtbank overweegt hierbij dat de Uniewetgever heeft voorzien een registratiesysteem en nauwgezet heeft geregeld welke gegevens moeten worden geregistreerd, wie daarvoor verantwoordelijk is en wie met welk doel toegang heeft tot deze gegevens. Het is dus de bedoeling dat verweerder bij zijn besluitvorming uitgaat van deze registraties. Verweerder weet dit ook want bij de aanvang van elke procedure worden ‘de systemen’ geraadpleegd. Het staat verweerder niet vrij om alleen van ‘de systemen’ uit te gaan als de daarin geregistreerde informatie van pas komt voor het besluit dat verweerder wenst te nemen. In de onderhavige procedure volgt uit de systemen dat eiser illegaal de Unie is ingereisd via Griekenland en dat hij daar door het afstaan van vingerafdrukken een asielaanvraag heeft ingediend. Uit Eurodac volgt niet dat de Griekse autoriteiten aan eiser internationale bescherming hebben verleend. Verweerder kan zijn besluit niet baseren op de enkele verklaring van eiser. Eiser heeft geen verblijfsdocument overgelegd op grond waarvan verweerder kan vaststellen dat aan eiser internationale bescherming is verleend. Verweerder heeft geen gewicht toegekend aan de verklaringen van eiser dat hij -kort gezegd- niet in staat zal zijn om zijn rechten in Griekenland te effectueren en verweerder heeft niet gemotiveerd waarom hij de verklaringen dat Griekenland aan eiser bescherming hebben geboden wel geloofwaardig acht. Verweerder is dus niet consistent in welke verklaringen hij wel en niet geloofwaardig acht en wekt hierdoor de indruk aan ‘cherry picking’ te doen. Het is evident dat dit in de weg staat aan deugdelijke besluitvorming. Verweerder dient zich bovendien te realiseren dat voor eiser, een jongeman uit Eritrea die zijn land van herkomst jaren geleden is gevlucht, wellicht het onderscheid tussen een internationale beschermingsstatus en een verblijfsvergunning op grond van Grieks nationaal recht of beleid niet duidelijk is en hij hier ook geen wetenschap van kan hebben. In het gehoor is aan eiser niet uitgelegd wat de verschillen zijn en waarom dit doorslaggevend is voor de vraag of zijn in Nederland ingediende asielaanvraag inhoudelijk wordt behandeld.
13. De rechtbank overweegt dat indien verweerder de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk wil verklaren op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000, allereerst is vereist dat vaststaat dat aan eiser door een andere lidstaat internationale bescherming is verleend. De rechtbank concludeert dat dit niet blijkt uit het dossier en het verhandelde ter zitting en verweerder dus niet bevoegd is om de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk te verklaren. Eiser is dus geen ‘Griekse statushouder’, maar een ‘asielzoeker die een asielaanvraag in Griekenland heeft gedaan’. Verweerder moet de asielaanvraag van eiser daarom inhoudelijk behandelen. Het komt de rechtbank voor dat deze beoordeling op grond van het reeds afgenomen nader gehoor over de asielmotieven kan worden verricht. Dit hoeft ook niet veel tijd te kosten. Verweerder heeft de verklaringen van eiser over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet ongeloofwaardig geacht. Weliswaar beoordeelt verweerder de geloofwaardigheid van de verklaringen alleen als verweerder inhoudelijk beoordeelt of internationale bescherming moet worden verleend. Verweerder heeft evenwel Eurodac geraadpleegd en zijn besluit op grond van de in Eurodac geregistreerde gegevens gebaseerd. Eiser heeft in alle gehoren dezelfde persoonsgegevens genoemd en die corresponderen met de persoonsgegevens die onder meer in Eurodac zijn geregistreerd. Het staat verweerder dan ook niet vrij om in een latere fase, als verweerder de asielaanvraag inhoudelijk behandelt, de verklaringen van eiser over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst alsnog ongeloofwaardig te achten. De rechtbank overweegt verder dat verweerder in zijn landgebonden beleid over Eritrea onder meer het navolgende heeft opgenomen:
(…)
13.4.1.1. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3.2.1 Vc
De IND beschouwt de volgende groepen als groepen die systematisch worden blootgesteld aan een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b:
•personen die het militaire onderdeel van de nationale dienstplicht moeten vervullen; en
(…)
13.4.1.3. Illegale uitreis
De IND verleent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw aan de Eritrese vreemdeling die:
•aannemelijk maakt illegaal Eritrea uitgereisd te zijn.
(…)
14. De rechtbank merkt op dat verweerder eiser in het nader gehoor uitgebreid heeft gehoord over zijn vrees om de dienstplicht te moeten vervullen en over de wijze waarop hij Eritrea is uitgereisd. Als de Griekse autoriteiten geen internationale beschermingsstatus aan eiser hebben verleend, zal verweerder de asielaanvraag inhoudelijk moeten behandelen en dit beleid dus moeten toepassen.
15. De rechtbank overweegt dat eiser niet heeft aangevoerd dat aan hem geen internationale bescherming is verleend. De rechtbank is evenwel verplicht om een doeltreffende voorziening in rechte als bedoeld in artikel 47 van Pro het Handvest te bieden en de rechtbank is, net als verweerder, verplicht om te allen tijde het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. Deze verplichtingen voor de rechtbank omvatten de verplichting om zo nodig ambtshalve te controleren of het beginsel van non-refoulement aan de vaststelling en/of de uitvoering van het bestreden besluit in de weg staat. Verweerder meent dat aan eiser internationale bescherming is verleend en draagt eiser daarom op om zich onmiddellijk naar de (veronderstelde) statusverlenende lidstaat te begeven. Dat verweerder een dergelijk bevel moet geven volgt uit artikel 6, tweede lid, van richtlijn 2008/115. Het Hof heeft recent -nogmaals- verduidelijkt welke verplichting ook uit deze richtlijnen voor de autoriteiten volgen. De rechtbank stelt, om het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen en de naleving hiervan te verzekeren, ambtshalve vast dat verweerder niet bevoegd is om de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk te verklaren en niet bevoegd is om eiser op te dragen om zich onmiddellijk naar Griekenland te begeven. Op grond van vaste Afdelingsjurisprudentie staat artikel 4 van Pro het Handvest in de weg aan het overdragen en terugsturen van asielzoekers naar Griekenland, zodat de rechtbank de hiervoor uiteengezette beoordeling ambtshalve moet verrichten.
15. De rechtbank overweegt voorts dat ook indien verweerder wel had kunnen onderbouwen dat de Griekse autoriteiten aan eiser internationale bescherming zouden hebben verleend, de rechtbank het besluit zou hebben vernietigd en het beroep gegrond zou hebben verklaard. De rechtbank wijst in dit verband op het navolgende.
17. Op 11 maart 2025 heeft de Minister van Asiel en Migratie een brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer (Kamerstuk 19637, nr. 224) gezonden waarin onder meer het navolgende is vermeld:
(…)
Griekse statushouders
In juli 2021 concludeerde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat niet deugdelijk gemotiveerd was dat statushouders bij terugkeer naar Griekenland niet in een mensonwaardige situatie terechtkomen waarin zij niet kunnen voorzien in de belangrijkste basisbehoeften. Het in Nederland ingediende asielverzoek van personen die al eerder in Griekenland internationale bescherming verkregen wordt inhoudelijk beoordeeld. Hiervan zijn de zaken uitgezonderd waarbij zelfredzaamheid is vastgesteld. Op verzoek van het Ministerie van Asiel en Migratie is door het Ministerie van Buitenlandse zaken onderzocht wat de actuele situatie is voor statushouders en terugkerende statushouders in Griekenland. Dit rapport is op 3 september 2024 vastgesteld. In juni 2022 is eenzelfde soort feitenonderzoek naar statushouders in Griekenland gedaan. Ook uit het rapport van september vorig jaar komt naar voren dat statushouders in Griekenland te maken hebben met grote bureaucratische obstakels. Het verkrijgen en met name het verlengen van documenten om toegang te krijgen tot huisvesting, betaalde arbeid, het ontvangen van sociale uitkeringen of het openen van een bankrekening is vaak lastig. Aangezien de benodigde documenten alleen in Griekenland kunnen worden aangevraagd lopen terugkerende statushouders het risico om bij terugkeer dakloos te worden. Het onderzoek geeft geen aanleiding om de huidige werkwijze ten aanzien van Griekse statushouders inhoudelijk te wijzigen. Het blijft zo dat wanneer een Griekse statushouder zelfredzaam wordt geacht en aannemelijk is dat hij in zijn basisvoorzieningen kan voorzien in Griekenland, de persoon kan worden overgedragen naar Griekenland. De IND zal proberen deze beoordeling van zelfredzaamheid eerder in het proces te maken.
(…)
18. Eiser heeft op 30 mei 2024 een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Ten tijde van deze aanvraag was ‘IB 2024/31 Griekse statushouders’ geldig. Hierin is onder meer het navolgende bepaald:
(…)
Naar aanleiding van de eerder genoemde uitspraken van de Afdeling van 28 juli
2021 is de situatie van statushouders in Griekenland nader onderzocht en
beoordeeld. Op basis van het feitenrapport kan het door de Afdeling geconstateerde
motiveringsgebrek op dit moment niet worden hersteld. Om de voortgang van verschillende initiatieven en nadere informatie over de situatie van Griekse statushouders te kunnen betrekken bij de definitieve beoordeling wordt de (verlengde) beslistermijn in beginsel ten volle benut. De IND kan ervoor kiezen in bepaalde zaken voor het aflopen van de beslistermijn een inhoudelijke beoordeling te doen, bijvoorbeeld in asielaanvragen die de IND op voorhand als minder kansrijk beschouwt. Daarnaast kan dit het geval zijn in zaken waarin de individuele feiten en omstandigheden een eerdere inhoudelijke beoordeling van de zaak wenselijk maken.
(…)
19. De rechtbank overweegt dat het buitengewoon kwalijk is dat als beleid is bepaald dat “de (verlengde) beslistermijn in beginsel ten volle wordt benut”. Verweerder dient zodra een asielverzoek is ingediend, dit asielverzoek te behandelen en voortvarend te beoordelen of internationale bescherming moet worden verleend. Dat hiervoor een beslistermijn is bepaald, betekent dat verweerder verplicht is om in ieder geval binnen deze termijn te beslissen op de aanvraag. De termijnbepaling is bedoeld als vaststelling van een maximale termijn en dus aan het bieden van zekerheid. Het betekent dus niet dat verweerder een afwachtende houding kan aannemen en deze termijn kan laten ‘vollopen’. Uit de formulering van dit beleid volgt dat is beoogd te wachten met beslissen om te bezien of de situatie in Griekenland zodanig wijzigt dat iedere statushouder kan worden opgedragen om zich naar Griekenland te begeven. De rechtbank overweegt dat het een bestuursorgaan niet past om op deze wijze te voorkomen dat Nederland verantwoordelijk wordt voor de inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag en de mogelijke statusverlening. Op het moment dat eiser zijn asielaanvraag heeft ingediend was verweerder gehouden, zoals het een behoorlijk handelend bestuursorgaan betaamt, om aanstonds te beslissen op deze aanvraag. Eiser heeft, zoals hiervoor overwogen op 30 mei 2024 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft op 14 juli 2024 een aanmeldgehoor gehouden en verder de ‘zaak gewoon laten liggen’ totdat verweerder eiser op 30 september 2025 nader heeft gehoord. Verweerder kiest er vervolgens voor om de termijnen van de algemene asielprocedure te hanteren door op 2 oktober 2025 een voornemen uit te brengen, te bepalen dat eiser 1 werkdag heeft om een zienswijze in te dienen en op 6 oktober 2025 zijn besluit te nemen en daarin te constateren dat de situatie in Griekenland voor statushouders niet is gewijzigd.
20. De rechtbank overweegt dat het een bestuursorgaan, dat structureel niet in staat is om binnen Unierechtelijke en nationaalrechtelijke termijnen te beslissen op asielaanvragen, niet past om in zaken als deze waarin ten tijde van de asielaanvraag duidelijk is dat Griekenland op dat moment niet voldoet aan zijn verplichtingen ten aanzien van statushouders, niet aanstonds te bepalen dat de asielaanvragen van ‘Griekse statushouders’ inhoudelijk worden behandeld maar gewoonweg te wachten om te bezien of op een later moment kan worden volstaan met een niet-ontvankelijk verklaring.
21. Op het moment dat verweerder heeft beslist op de aanvraag was ‘IB 2025/20 Griekse statushouders’ geldig. Ook in dit Informatiebericht is vermeld dat de (verlengde) beslistermijn in beginsel ten volle wordt benut. De rechtbank overweegt voorts dat hoewel in de aanhef van dit Informatiebericht is vermeld dat dit openbaar is, de rechtbank vaststelt dat de inhoud en met name de wijze waarop wordt beoordeeld of een ‘Griekse statushouder’ zelfredzaam is niet kenbaar is en dus ook niet openbaar is. In het Informatiebericht is vermeld dat het belangrijk is om door te vragen op het eerdere verblijf van de vreemdeling in Griekenland om te kunnen beoordelen of de vreemdeling als zelfredzaam kan worden beschouwd en zich in Griekenland zelfstandig kan handhaven. Hoe vervolgens wordt beoordeeld of de vreemdeling zelfredzaam is, is niet vermeld. In het Informatiebericht is daarentegen driemaal weergegeven ‘
interne notitie’. De rechtbank heeft verweerder ter zitting gevraagd naar de inhoud van de interne notities omdat de rechtbank moet kunnen beoordelen of verweerder op juiste wijze heeft beoordeeld of eiser kan worden opgedragen om zich naar Griekenland te begeven. De rechtbank moet niet alleen controleren of het beleid deugdelijk is en of verweerder zijn eigen beleid toepast, maar ook of verweerder het beginsel van non-refoulement eerbiedigt. Verweerder moet de rechtbank dan ook in staat stellen om dit te kunnen beoordelen en door het beoordelingskader in interne notities op te nemen, verhindert verweerder dit. Verweerder heeft ter zitting geen mededelingen gedaan over de inhoud van deze interne notities.
22. Verweerder voert -kennelijk nog steeds- het beleid dat een in Nederland ingediend asielverzoek van personen die al eerder in Griekenland internationale bescherming hebben verkregen inhoudelijk wordt beoordeeld en dat hiervan de zaken zijn uitgezonderd waarbij ‘zelfredzaamheid’ is vastgesteld. Verweerder heeft ter zitting terecht opgemerkt dat dit géén omkering van de bewijslast impliceert. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat hij internationale bescherming behoeft en aan verweerder om deze gestelde beschermingsbehoefte grondig te beoordelen. Indien aan eiser door Griekenland internationale bescherming zou zijn verleend, zou verweerder evenwel alleen bevoegd zijn om de in Nederland ingediende asielaanvraag niet-ontvankelijk te verklaren als ‘zelfredzaamheid’ is vastgesteld. Dit vaststellen van zelfredzaamheid dient door verweerder te geschieden en verweerder dient in zijn besluit te motiveren dat hij eiser zelfredzaam acht en hoe verweerder dit heeft beoordeeld.
23. In het voornemen is vermeld dat eiser onvoldoende inspanningen heeft geleverd om na te gaan of hij zijn rechten in Griekenland had kunnen effectueren en dat eiser in andere (derde) landen zelfredzaam is geweest. De rechtbank stelt vast dat in het besluit is ingegaan op de zienswijze en voorts is vermeld dat ten aanzien van Griekenland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan en dat eiser geen pogingen heeft gedaan om zijn rechten te effectueren zodat elk concreet aanknopingspunt om aan te nemen dat eiser geen effectieve bescherming in Griekenland zou kunnen genieten ontbreekt.
24. De rechtbank heeft verweerder ter zitting voorgehouden dat bij gebrek aan wetenschap wat er in de interne notities staat, deze beoordelingen in het voornemen en besluit niet kunnen worden aangemerkt als ‘de vaststelling van zelfredzaamheid’ omdat de rechtbank aanneemt dat bepalend is of eiser in Griekenland zelfredzaam zal zijn na terugkeer. Dat eiser in derde landen zelfredzaam is geweest kan niet ter onderbouwing van die aanname strekken reeds omdat verweerder eiser hierover niet deugdelijk heeft bevraagd, verweerder de situatie in die derde landen niet heeft benoemd en betrokken in zijn besluit en die derde landen bovendien geen bescherming aan eiser hebben geboden. Uit het dossier blijkt zelfs niet dat de autoriteiten van die derde landen op de hoogte zijn geweest van het verblijf van eiser op hun grondgebied. Verweerder heeft dus zijn beleid, voor zover dit kenbaar is, niet toegepast omdat verweerder niet deugdelijk heeft beoordeeld of eiser zelfredzaam zal zijn indien hij zou moeten terugkeren naar Griekenland.
25. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat eiser nadat aan hem internationale bescherming is verleend slechts korte tijd in Griekenland is gebleven, geen inspanningen heeft geleverd om zijn rechten als statushouder te effectueren en dit wel van hem mag worden verwacht. De rechtbank overweegt dat niet kenbaar is dat dit onderdeel uitmaakt van het beoordelingskader en eiser in zijn verdedigingsbelangen is geschaad door eiser hierover niet deugdelijk te bevragen en dit als onderdeel van het beoordelingskader te hanteren zonder dat dit kenbaar is. Het uitgangspunt dat statushouders moet proberen hun rechten als statushouders te effectueren en dat dit in beginsel van hen kan worden gevergd, is overigens het algemene beoordelingskader bij het bepalen of een asielaanvraag niet-ontvankelijk kan worden verklaard vanwege een reeds door een andere lidstaat verleende status. Ten aanzien van Griekenland voert verweerder – als uitzondering op het algemene uitgangspunt – nu juist het beleid dat statushouders in Griekenland niet in staat worden geacht om hun rechten te kunnen effectueren. Dus de ter zitting gegeven motivering kan het besluit op dit punt niet alsnog van een deugdelijke motivering voorzien.
26. De rechtbank concludeert dat op grond van het overgelegde dossier en het onderzoek ter zitting niet kan worden vastgesteld dat de Griekse autoriteiten aan eiser internationale bescherming hebben verleend. Verweerder is bij deze stand van zaken dus niet bevoegd om de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk te verklaren en zal de asielaanvraag inhoudelijk moeten beoordelen en zijn landgebonden beleid moeten toepassen op de reeds door eiser in het nader gehoor afgelegde verklaringen. Voor zover wel zou moeten worden aangenomen dat eiser een ‘Griekse statushouder’ is, heeft verweerder zijn beleid niet deugdelijk toegepast en voor zover verweerder dat wel zou hebben gedaan, heeft verweerder niet deugdelijk vastgesteld dat eiser zelfredzaam is.
27. Overigens is het beleid om de beslistermijn ‘te laten vollopen’ om af te wachten of op een later moment wel van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan en de beslissing om niet kenbaar te maken op welke wijze wordt beoordeeld of de statushouder ‘zelfredzaam’ is onbehoorlijk.
28. Dit betekent dat het beroep gegrond is en de beroepsgronden geen verdere bespreking behoeven.
29. Verweerder is niet bevoegd om de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk te verklaren en zal deze aanvraag inhoudelijk moeten beoordelen. Het is aan verweerder om te beoordelen of aan eiser een verblijfsvergunning wordt verleend. De rechtbank denkt dat dit niet veel tijd hoeft te kosten. Eiser is immers al gehoord over zijn asielmotieven en dit is zeer recent geschied dus een nader gehoor om na te gaan of sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden is niet geïndiceerd. De verklaringen die eiser heeft afgelegd over zijn vrees om de dienstplicht te moeten vervullen en over de illegale uitreis zijn consistent en passen naadloos binnen de algemene informatie zoals die ook blijkt uit het Algemeen Ambtsbericht Eritrea van december 2023. Gelet op het landgebonden beleid, zoals hiervoor weergegeven, is de zwaarwegendheidsbeoordeling naar het oordeel van de rechtbank ook te overzien.
30. De rechtbank bepaalt daarom dat verweerder binnen zes weken een nieuw besluit op de asielaanvraag van eiser moet nemen en daarbij deze uitspraak van de rechtbank in acht moet nemen.
31. Het beroep wordt gegrond verklaard zodat de rechtbank een proceskostenveroordeling zal uitspreken. De rechtbank zal hiervoor de standaardmatig toegekende punten en bedragen hanteren.
32. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op om binnen zes weken na bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van
mr.M.B.J. Schreijen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 3 november 2025.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.