ECLI:NL:RBDHA:2025:20389

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 november 2025
Publicatiedatum
4 november 2025
Zaaknummer
NL25.47831
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:11 AwbArt. 69 VreemdelingenwetArt. 3 EVRM
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen niet-in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublin-verantwoordelijkheid Duitsland

Eiser diende beroep in tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland volgens de Dublin-verordening verantwoordelijk is voor de behandeling. De rechtbank beoordeelde het beroep zonder zitting.

De beroepstermijn voor dit soort besluiten bedraagt één week. Eiser diende het beroepschrift pas op 29 september 2025 in, terwijl de termijn uiterlijk 19 september 2025 eindigde. De rechtbank onderzocht of deze termijnoverschrijding verschoonbaar was.

Uit de overgelegde stukken bleek dat eiser pas op 29 september 2025 door zijn eerdere gemachtigde over het besluit werd geïnformeerd. De nieuwe gemachtigde kreeg de informatie op 1 oktober 2025. De rechtbank oordeelde dat de vertraging in de informatieoverdracht tussen eiser en zijn gemachtigden voor zijn risico komt, zeker omdat eiser professionele rechtshulp had. Er was geen aanwijzing dat de termijnoverschrijding aan de verweerder of andere externe oorzaken toe te rekenen was.

Daarom was er geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding en werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tevens gaf de rechtbank aan dat er geen aanwijzingen zijn dat de overdracht van eiser aan Duitsland een schending van artikel 3 EVRM Pro oplevert.

De uitspraak werd gedaan door rechter K.M. de Jager op 3 november 2025 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn zonder verschoonbaarheid.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.47831

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. N. Birrou),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 september 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Overwegingen

1. Nu de asielaanvraag van eiser bij het bestreden besluit niet in behandeling is genomen, volgt uit artikel 69, tweede lid, onder d, van de Vreemdelingenwet dat de beroepstermijn één week is. Dit betekent dat eiser uiterlijk 19 september 2025 het beroep had moeten instellen. Het beroepschrift is ingediend op 29 september 2025.
2. De rechtbank concludeert dat sprake is van een termijnoverschrijding, omdat het beroepschrift niet binnen de beroepstermijn van één week is ingediend. Hieronder zal zij beoordelen of de termijnoverschrijding verschoonbaar is.
3. In de uitspraken van 30 januari 2024 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBB) nieuwe uitgangspunten geformuleerd voor de beoordeling van de verschoonbaarheid van termijnoverschrijdingen als bedoeld in artikel 6:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in bestuursrechtelijke procedures. [1] Bij de beoordeling of de termijnoverschrijding verschoonbaar is, staat centraal of “redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest”. [2] Hierbij moet allereerst worden beoordeeld of het niet tijdig indienen van het beroepschrift aan de indiener kan worden toegerekend. Er is aandacht voor bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen, maar deze zijn slechts van belang wanneer zij zijn veroorzaakt door het handelen of nalaten van het bestuursorgaan en mogelijk ook wegens andere redenen. Het CBB volgt dus een op het individuele geval gerichte contextuele benadering. [3] Wanneer de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend, moet worden beoordeeld of het beroepschrift is ingediend zo spoedig als dat dit redelijkerwijs kon worden verlangd. Als de belanghebbende gedurende de overschreden beroepstermijn werd bijgestaan door een professionele rechtshulpverlener, blijft net als in de vaste rechtspraak van de Afdeling [4] gelden dat diens handelen in beginsel voor het risico van de indiener komt. [5]
4. Eiser heeft toegelicht dat zijn eerdere gemachtigde hem pas op 29 september 2025 over het besluit heeft geïnformeerd. Uit een e-mail van eiser aan zijn nieuwe gemachtigde van 1 oktober 2025 volgt dat hij toen kennis kreeg van de beslissing (“my lawyer sent the decision from IND at 29 September”). Dat de nieuwe gemachtigde pas op 1 oktober 2025 kennis heeft kunnen nemen is in redelijkheid dan ook te wijten aan gebrekkige informatieoverdracht tussen eiser en zijn eerdere en/of de nieuwe gemachtigde. De onjuiste vermelding van de datum “112 september 2025” op het voorblad van het besluit is op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld of dat de verantwoordelijkheid voor de termijnoverschrijding bij verweerder ligt. Op alle vervolgbladen staat in de rechtermarge immers de (juiste) datering van 12 september 2025. Nu voorts eiser in de beroepstermijn werd bijgestaan door een professionele rechtshulpverlener komt een gebreke in de informatieoverdracht in beginsel voor zijn risico. Van omstandigheden die maken dat deze vertraging aan verweerder of aan andere buiten eiser gelegen oorzaken kan worden toegeschreven, is niet gebleken. Dit wordt niet anders als gevolg van de door de rechtbank verzonden mededeling tot herstel van verzuim d.d. 2 oktober 2025. Er is daarom geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
Bahaddar-criteria [6]
5. Overigens biedt het dossier geen concrete aanknopingspunten om aan te nemen dat bij overdracht van eiser aan Duitsland onmiskenbaar sprake zal zijn van een schending van artikel 3 EVRM Pro. Van
Bahaddar-omstandigheden is daarom geen sprake.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 3 november 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Gasi, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

2.Dit volgt uit de uitspraak met het kenmerk ECLI:NL:CBB:2024:31, rechtsoverweging 2.3.
3.Zie de hierboven genoemde uitspraak met het kenmerk: ECLI:NL:CBB:2024:31, rechtsoverweging 3.1.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.Zie de hierboven genoemde uitspraak met het kenmerk: ECLI:NL:CBB:2024:31, rechtsoverweging 5.1.
6.Het arrest Bahaddar tegen Nederland van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494.