Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Bahaddar-omstandigheden is daarom geen sprake.
Rechtbank Den Haag
Eiser diende beroep in tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland volgens de Dublin-verordening verantwoordelijk is voor de behandeling. De rechtbank beoordeelde het beroep zonder zitting.
De beroepstermijn voor dit soort besluiten bedraagt één week. Eiser diende het beroepschrift pas op 29 september 2025 in, terwijl de termijn uiterlijk 19 september 2025 eindigde. De rechtbank onderzocht of deze termijnoverschrijding verschoonbaar was.
Uit de overgelegde stukken bleek dat eiser pas op 29 september 2025 door zijn eerdere gemachtigde over het besluit werd geïnformeerd. De nieuwe gemachtigde kreeg de informatie op 1 oktober 2025. De rechtbank oordeelde dat de vertraging in de informatieoverdracht tussen eiser en zijn gemachtigden voor zijn risico komt, zeker omdat eiser professionele rechtshulp had. Er was geen aanwijzing dat de termijnoverschrijding aan de verweerder of andere externe oorzaken toe te rekenen was.
Daarom was er geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding en werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tevens gaf de rechtbank aan dat er geen aanwijzingen zijn dat de overdracht van eiser aan Duitsland een schending van artikel 3 EVRM Pro oplevert.
De uitspraak werd gedaan door rechter K.M. de Jager op 3 november 2025 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn zonder verschoonbaarheid.