Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd op 25 september 2023 ontvangen, maar de minister heeft niet binnen de wettelijke beslistermijn van 21 maanden een besluit genomen. Eiser stelde de minister op 23 augustus 2025 schriftelijk in gebreke en diende daarna beroep in.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister de beslistermijn heeft overschreden en eiser aan alle formele vereisten heeft voldaan. De rechtbank bepaalt dat de minister binnen acht weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit moet nemen. Hierbij weegt de rechtbank het belang van een zorgvuldige en snelle besluitvorming, mede omdat eiser nog niet is gehoord over zijn asielmotieven.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- voor elke dag dat de minister de nieuwe beslistermijn overschrijdt. Ook wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 453,50, vanwege het inschakelen van professionele rechtsbijstand.
De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Loman en griffier C.A.A.W. van der Heijden op 23 oktober 2025. De rechtbank ziet geen noodzaak tot het houden van een zitting in deze zaak.